Nieuw
Sluipwesp Gelis agilis
MeldenEerder schreef Anna Kreffer over beestjes die uit lijfsbehoud op wespen zijn gaan lijken. Maar het omgekeerde komt ook voor, er zijn wespen die het uiterlijk van andere dieren gebruiken om niet in de maag van een ander dier te belanden. Een paar weken geleden drentelde een beestje in mijn klopbakje wat op een bronswespje leek. Lees meer
Alleen vrouwtjes
Gelis agilis is asexueel, d.w.z. er zijn alleen vrouwtjes waargenomen. Dit komt vaker voor bij het geslacht Gelis. Bij andere Gelis soorten zijn mannetjes en vrouwtjes betrokken bij de voortplanting. Soorten die zich geslachtelijk voortplanten hebben een betere levensverwachting dan Gelis Agilis. Voor een sluipwesp zijn de Gelis-soorten niet kieskeurig: in legsels van spinnen, poppen van motten en andere cocons leggen zij hun eieren. Het zijn echte opportunisten. Gelis agilis legt haar eieren ook op de poppen an andere parasieten. Het is daarmee ook een hyperparasiet. De vrouwtjes paralyseren eerst de gastvrouw of gastheer, en leggen vervolgens een eitje op het slachtoffer. Na het uitkomen eet het larfje alles op voordat het zelf verpopt.
Waarom de lijken zij op mieren?
Veel roofzuchtige dieren hebben respect voor mieren. Mieren kunnen flink bijten en als het even kan, vallen zij in groepen aan en wordt de rover zelf opgepeuzeld. Spinnen en veel andere rovers vermijden daarom mieren als maaltijd. De Gelis-soorten hebben dat opgemerkt, en zich een mierenuiterlijk aangemeten. En als je dat goed doet, dan laat je ook je vleugels weg. Het zicht van de roofzuchtige onverlaten is slecht genoeg om de subtiele verschillen tussen de echte en de namaakmieren niet op te merken. Niet alleen uiterlijk, maar ook de geur Gelis agilis en een paar verwante soorten gaan verder: behalve het uiterlijk, verspreiden zij ook het aroma van mieren. Dit is behoorlijk effectief: alleen als spinnen echt uitgehongerd zijn, doen zij soms een poging om een wespje te snoepen. Andere Gelis-soorten produceren vergelijkbare geurtjes, maar niet zo sterk als Gelis agilis. Zij belanden eerder in de maag van een spin.
Heb je een echte of net-echte wesp gezien? ? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Dit artikel van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van december 2024 van de KNNV afdeling Den Haag. Veel van de informatie op internet -en dit artikel- is afkomstig van onderstaande onderzoeken: Multi-trait mimicry of ants by a parasitoid wasp (2015) Ant-like Traits in Wingless Parasitoids Repel Attack from Wolf Spiders (2018) Deze onderzoeken waren aanleiding voor artikelen in o.a. Trouw en NRC.
Eerder geplaatst:
berk-en-beestjes
Insecten zijn van de boomsoort afhankelijk omdat hun larven, rupsen of nimfen van het blad, zaad of andere delen van de boom leven. Sommige soorten kunnen ook naar andere (loof)bomen uitwijken, maar één op één relaties komen ook vaak voor. Met de keuze voor inheemse bomen in eigen tuin, kun je een verschil maken! Hierbij een aantal van aan berk gebonden soorten insecten, om van de schoonheid te genieten, zonder nu op alle kenmerken, leefwijze of voorkomen in te gaan. PS: Er zijn ook heel wat paddenstoelsoorten die een relatie met berk hebben!In augustus is de landelijke insectenwerk- groep (LIW) voor de tweede keer dit jaar neergestreken in Limburg. Op zo’n weekend worden ook altijd lakens en vallen uitgezet om het nachtelijke insectenleven te bestuderen. Omdat er wat mooie soorten behorende bij onze berkenbomen voorbij kwamen, deze maand aandacht voor berkenbeestjes! Lees meer
De berk
De berk, Betula spec., heeft een prachtige witte schors met donkere vlekken en strepen. Er zijn twee inheemse soorten, de zachte berk, Betula pubescens, en de ruwe berk, Betula pendula, waarbij de zachte berk aan de onderkant van de (oudere) bladeren haartjes te vinden zijn. Andere berkensoorten komen uit andere (wereld)delen. Berken zijn pionierssoorten van bossen op vrij vochtige tot natte, zandige tot lemige, voedselarme en zure bodems. Ze worden tot 100 jaar oud.
Relatie bomen met insecten Onderzoek laat zien dat er op inheemse bomen veel meer insecten leven dan op bomen van elders. Deze insecten trekken ook sluipwespen, roofwantsen e.d., deze worden meegeteld bij de aantallen. De top drie uit Brits onderzoek zijn wilg, eik en berk (de tamme kastanje als voorbeeld van een uitheemse soort). Onderzoek in Zeeland geeft wat bescheidener aantallen, maar de top drie is hetzelfde, al is de eik daar de nummer één.
GB
Zeeland
Wilg
450
311
Eik
423
335
Berk
334
242
Wilg
450
311
Tamme Kastanje
11
8
Melden
Heb je een berken-beestje gezien? Of een soort met “berk” in de naam?
Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van september 2023 van de KNNV afdeling Den Haag.
blaaskaakjes

Aan het werk in de tuin, laag bij de grond, zag ik een klein diertje door de vegetatie kruipen. Op en neer langs verschillende stengels kwam het steeds dichterbij. Daar koos het de punt van een blad om eens rustig te gaan zitten. Het is een van de blaaskaakjes, waarschijnlijk net uit de pop want een van de vleugels is nog kreukelig. Lees meer
Net als bijvoorbeeld libellen moet een vlieg na het uitkruipen uit de pop de vleugels oppompen en dan laten drogen om deze vliegklaar te maken. Het is een bijzonder vliegje, met bijzondere levenswijze.
HERKENNING
Blaaskaakjes (Myopa) zijn herkenbaar aan de opvallend grote, witte wangen. Verder zijn ze vooral bruin met rode en / of zwarte tekening, boven de wangen ronde bruine ogen, de korte antennen steken recht vooruit. Er zijn in Nederland 11 soorten, die moeilijk te onderscheiden zijn. De Myopa soorten zijn vroege lentesoorten, vaak te vinden bij bloeiende wilg, sleedoorn en meidoorn, de voedselplanten van hun gastheren. Blaaskaakjes horen bij de familie van blaaskopvliegen (Conopidae), waar ook andere mooie soorten bij horen, zoals de knuppeltjes (Physocephala) en kromlijven (Sicus).
LEVEN
Blaaskaakjes zijn parasitoïden, ze parasiteren op zandbijen en doden deze. Ze zitten vaak op een uitkijkpost, een blad of een takje om alles wat voorbijkomt goed te kunnen zien. Komt en een bij langs die geschikt zou kunnen zijn, dan wordt deze nagejaagd en in de vlucht botst ze er tegenaan. Tijdens deze botsing wordt een eitje afgezet, dit gebeurt in een oogwenk en is niet met het blote oog zichtbaar. Het vrouwtje blaaskaakje heeft hier een speciaal richeltje voor onder de buik, het klampje genaamd. Dat is een soort van grijp- en snijorgaan waarmee ze in de vlucht de achterlijfssegmenten van het bijtje uit elkaar duwt. Met een klein legboortje wordt dan snel een eitje afgezet in het achterlijf van de bij.
Er is nog weinig bekend over de gastheerrelatie van de verschillende blaaskaakjes. Het probleem is dat er vaak diverse soorten zandbijtjes vliegen en verschillende soorten blaaskaakjes. Als ze vliegen is het onderscheid tussen de soorten niet of nauwelijks te zien.
Als het gelukt is om een eitje in te brengen dan beïnvloedt de parasiet het gedrag van de bij. De larve eet de bij vanbinnen op, maar laat vitale delen nog ongemoeid. Tegen de tijd dat de larve vrijwel volgroeid is graaft het bijtje zich in de grond in zodat de parasiet beschermd is. Deze komt pas een jaar later uit haar pop tevoorschijn.
BLAASKOPVLIEGEN
Alle blaaskopvliegen parasiteren op bijen, wespen of hommels. Alle leggen hun eitjes in de volwassen gastheren. Ze zijn er van klein tot groot, 3-20 mm. Blaaskopvliegen hebben gebogen of zeer buigzaam achterlijf voor het afzetten van eitjes. Ze zijn slank gebouwd, veel soorten (niet de blaaskaakjes) zijn opvallend geelzwart getekend en doen aan wespen denken. Wel handig als je op wespen parasiteert.
Er zijn 37 soorten Blaaskopvliegen. De meest algemene soorten zijn het Roestbruine Kromlijfje Sicus ferrugineus en het Gewone Knuppeltje Physocephala ruficeps.
VOEDSEL
De blaaskopvliegen drinken nectar. Ze hebben lange zuigtongen, ze kunnen hierdoor het dieper gelegen nectar in lipbloemigen en andere bloemen goed bereiken. De gastsoorten waarop ze parasiteren zijn ook bezoekers van dezelfde soorten bloemen en worden vaak in de buurt van deze bloemen gespot en belaagt.
MELDEN
Heeft u een gaasvlieg gezien? Meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder op Het insect van de maand van de KNNV, daar kunt u eventueel ook reageren.
de blaaskopvlieg

parasiteert op zandbijen
Het diertje ziet er onschuldig uit: Een grote kop, met een olijk ringbaardje en een tongetje dat hij/zij ondeugend naar de fotograaf uitsteekt. Zoals gebruikelijk in de insectenwereld, schijn bedriegt. Achter het guitige uiterlijk gaat een uiterst geslepen parasiet schuil die het vooral op hommels, bijen en wespen heeft gemunt. GASTVROUW ZOEKEN LIEFDESLEVEN BIJEN- EN WESPENHERSENTJES HACKEN MELDEN
HERKENNING
Blaaskopvliegen zijn vaak kaal, hebben een grote kop met opvallend lange sprieten, en een vaak krom, knuppelachtig achterlijf. Lees meer
Blaaskopjes en de knuppeltjes zijn voorzien van een zwartgele of zwartwitte wespachtige tekening, de blaaskaakjes, kromlijfjes en de muisjes hebben een bruin of grijsachtig lichaam. Zij hebben een lange tong, bij een aantal soorten bungelt het ingeklapt onder het gezicht. Van de blaaskopvliegen, Conopidae, zijn wereldwijd ca 800 soorten bekend, waarvan 37 in Nederland voorkomen. Van die 37 soorten zijn er 19 zeer zeldzaam en 10 zeldzaam, zij houden zich vooral in Zuid-Limburg op. Eigenlijk is alleen de roestbruine kromlijf, Sicus ferrugineus in de omgeving van Den Haag redelijk algemeen. Blaaskopvliegen lijken een verstedelijkte omgeving te mijden.
Blaaskopvliegen deponeren hun eitjes op het achterlichaam van de gastheer/vrouw. De literatuur vermeldt vrouwtjes, zowel werksters als koninginnen. Dit gebeurt in de lucht of tijdens bezoek aan een bloem. Hiertoe hebben zij speciaal gereedschap om de tergieten (segment van het achterlichaam) uit elkaar te trekken en het ei door het membraam in het lijf van de gastvrouw te persen. Van de grotere soorten, die op hommels en de sociale wespen (Vespoidea) parasiteren, is van de leefwijze iets bekend, de kleinere vliegen richten zich op kleinere solitaire bijen, mogelijk ook solitaire wespen. De keuze voor een gastvrouw lijkt vooral bepaald te worden door het formaat en minder door de soort. Voor een parasiet zijn ze nogal opportunistisch. De grootste, de hoornaarblaaskop, Conops vesticularis, parasiteert niet alleen op de onze eigen hoornaar, maar gebruikt de Aziatische hoornaar, Vespa velutina, of koninginnen van de andere sociale wespen als draagster voor haar jongen als dat zo uitkomt. Van soorten met een late vliegtijd wordt vermoed dat ze parasiteren op (wespen)koninginnen. Aangezien deze een veilige plek zoeken om te overwinteren en dit bijgevolg ook voor het vliegenlarfje regelen.
Blaaskopvliegen paren in de ochtend. Maar de klus is voor het mannetje hiermee niet geklaard: hij blijft de hele dag op het vrouwtje zitten om te voorkomen dat andere heren haar bevruchten. Vandaar dat relatief veel foto’s van stelletjes zijn te vinden. Tijdens de eerste twee stadia leven de larven van bloed en lymfevocht, in het derde stadium consumeert het larfje de weefsels, wat tot de dood van de gastvrouw leidt. Na 10-12 dagen vult de larf het volledige achterlichaam, dit is het moment voor het larfje om te verpoppen.
Geparasiteerde hommels en wespen veranderen hun gedrag: zij mijden hun nest. Zij blijven zelfs buiten bij koud weer. Als het blaaskopvliegenlarfje klaar is om te verpoppen, dwingt het de gastvrouw om zich in te graven, om zo de parasiet een veilige plek te geven om te overwinteren. De vlieg kruipt dan in voorjaar uit de grond. Blaaskopvliegen houden zich graag op in bloemen. Niet alleen om van de nectar te snoepen, maar ook om een geschikte gastvrouw voor de jongen te scoren. Enkele soorten houden zich op nabij de ingang van bijen- en wespennesten.
Vanwege hun obscure leefwijze en zeldzaamheid loont het de moeite om naar blaaskopvliegen uit te kijken en hun aanwezigheid te melden. Doe dit met een goede foto op waarneming.nl. Het gezicht van de diertjes helpt enorm bij de determinatie, een foto van boven maakt determineren bij een aantal soorten onmogelijk. Als je nog geen account hebt kan je dat simpel aanmaken: https://waarneming.nl/pages/ getting-started/
Met Obsidentify (Android) of iObs (Apple) kan je jouw foto op waarneming.nl plaatsen. Wil je meer weten, ervaringen delen van deze of andere soorten?
Dit artikel van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van mei 2022 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u eventueel reageren op dit artikel.
bladvlooien

Eind november ben ik (Anna Kreffer) in De Horsten om te genieten van een fraaie herfstdag, de bomen dragen geel blad, de grond kleurt oranje bruin van de al afgevallen bladeren. Insecten verwacht ik niet door de lage temperatuur. Maar bij een brandnetelveldje is er opvallend veel beweging van kleine vliegende beestjes. Ze landen bijna altijd op de onderkant van brandnetelbladeren waar ze als een klein donker streepje te zien zijn. Het zijn, heel toepasselijk, brandnetel- vlooien, ze horen bij de bladvlooien. Ze zijn afhankelijk van brandnetel. Lees meer
PLANTENLUIZEN BLADVLOOIEN LEEFWIJZE ECOLOGIE RELATIE INSECT/BLADVLOOI MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer met foto’s van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van december 2022 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.
Plantenluizen vormen samen met o.a. want- sen en cicaden de orde van snavelinsecten (Hemiptera). Alle hebben stekende of zui- gende monddelen.
Plantenluizen zijn klein tot zeer klein, de meeste hebben vliezige vleugels en zuigen plantensap.
Naast bladvlooien zijn er de wittevliegen, echte bladluizen, dennen- en dwergluizen en ook nog wol-, dop- en schildluizen.
De bladvlooien (Psyllidae) zijn kleine, 1,5 – 5 mm grote snavelinsecten met min of meer vliezige vleugels. Ze hebben goed ont- wikkelde poten en kunnen daardoor sprin- gen. Ze zuigen plantensap en hebben vaak een sterke relatie met hun waardplant.
In Nederland komen ongeveer 60 soorten voor, waarvan er 17 plantengallen veroorzaken. Ze worden nog niet zo goed bestudeerd, dus veel is ook nog niet gekend.
Bladvlooien hebben een geslachtelijke voortplanting. Eieren worden in het plan- tenweefsel afgezet. De nimfen hebben vijf onvolwassen stadia. Zij leven vrij of in een gal. De meeste hebben één generatie per jaar en overwinteren als volwassen dier. De brandnetelvlo, Trioza urticae, kan wel vier generaties hebben in één jaar. De nimfen veroorzaken gallen in de brandnetel- bladeren.
De nimf van de eikenbladvlo, Trioza remota, veroorzaakt kleine gallen in bladeren van eik. Te zien als een bobbel aan de boven- kant en een holte aan de onderkant van het blad. De nimf leeft in die holte.
Psyllidae-fossielen zijn gevonden in het VroegPerm, zo’n 290 miljoen jaar geleden, voordat de bloeiende planten evolueerden, De explosieve diversificatie van de bloeiende planten later ging gepaard met een enorme verscheidenheid aan bijbehorende insecten. Mogelijk zijn de kenmerken die de bloeiende planten vertonen ontstaan als verdediging tegen herbivore insecten.
Heb je een brandnetelvlo gezien?
Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
paddenstoelen en hun breedvoetvliegen (Platypezidae) MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer met foto’s van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van november 2022 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.Er zijn nu volop paddenstoelen te vinden voor wie er oog voor heeft. In de herfst, zeker nu het vaker regent laten vele soorten zich van hun mooiste kant zien. Terwijl de meeste insecten zich opmaken voor de winter, is er een kleine familie vliegen die juist nu hun hoogtijdagen beleeft. De breedvoetvliegen leggen hun eitjes op paddenstoelen, de larven leven ervan. De kleine vliegen zijn dus nu te vinden in de buurt van hun waardzwam. Lees meer
HERKENNING
Breedvoetvliegen zijn kleine, 1,5 tot 6 mm, slanke tot breedgebouwde vliegen met een gebocheld uiterlijk door de laaggeplaatste kop. Hun lichaamskleuren lopen uiteen van geheel zwart tot geheel oranje met daartussen een breed scala aan patronen van gele, grijze en zilverachtige banden en vlekken. De meeste mannetjes hebben meer ingetogen donkere kleuren, maar de meeste vrouwtjes zijn opvallende, kleurrijke verschijningen. Mannetjes zijn gemakkelijk van de vrouwtjes te onderscheiden door de elkaar boven op de kop rakende ogen. De brede achtervoetjes, vandaar de naam, komen niet bij alle soorten voor. Breedvoetvliegen lopen aan de bovenkant van bladeren heen en weer, soms staan ze stil om dan weer snel te gaan lopen, vaak opeens van richting veranderend.
LEEFWIJZE
Breedvoetvliegen lopen het liefst over de bladeren in de schaduw. Ze hebben een voorkeur voor groot blad, zoals esdoorn en hazelaar. Als ze ook naar de onderkant van het blad verdwijnen, dan is het een andere vliegensoort. Bij het stilstaan bewegen ze vaak hun kopje naar beneden, waarschijnlijk om wat voedsel, schimmelsporen, honingdauw, op te nemen. Verschillende soorten vertonen zweefgedrag, dan hangt een vliegje min of meer op een vaste plaats een tijdje in de lucht.
VOEDSEL
Er zijn een aantal paddenstoelen bekend waar de larfjes van breedvoetvliegen van leven, enkele soorten zijn: geelgerand-, ruig- en gewoon elfenbankje, grijze buisjeszwam, platte tonderzwam, zadelzwam, grote parasolzwam en sombere-, echte- en knolhoningzwam.
VOORTPLANTING
Paren worden in de lucht gevormd, daarna landen ze op een blad of de grond om de paring voort te zetten. Eitjes worden op de onderkant van de zwammen afgezet. Bij plaatjeszwammen kruipen de vliegjes tussen de plaatjes, bij de buisjeszwammen worden eitjes in de buisjes afgezet. De larven leven in het vruchtlichaam. Meestal is daar niets van te zien, behalve bij de tonderzwambreedvoet, Agathomyia wankowiczii. Dit vliegje veroorzaakt tepelgallen aan de onderkant van de platte tonderzwam, Ganoderma applanatum. De meeste larven verlaten de zwam om te verpoppen in de strooisellaag op de grond. De breedvoetvliegen die horen bij de herfstpaddenstoelen overwinteren als larve en verpoppen in de volgende herfst. Dit is ook het geval bij de honingzwambreedvoeten. Honingzwammen en de honingzwam- breedvoetvliegen. In onze soorten honingzwammen, Armillaria, komen twee soorten breedvoetvliegen voor: de grijze- en de rode honingzwambreedvoet, Protoclythia modesta en P.rufa. Beide zijn breedgebouwd, lengte van 3 – 3,5 tot 4,5 mm.
Heb je een breedvoetvlieg gevonden?
Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
de buxusmot (en -rups)

We zijn in 2016 begonnen met nachtvlinderen. In het West Duinpark kwam er dat jaar een prachtige vlinder op het licht af. In de net nieuw aangeschafte boeken was deze niet te vinden, het bleek de buxusmot! Een jaar later kwam er een op mijn eigen balkon! Waarneming.nl laat zien dat in 2010 de eerste schaarse waarnemingen van deze vlinders in Zuid Holland worden gemeld en in 2013 wordt de eerste vlinder in Den Haag (Ypenburg) gezien. Daarna gaat het wel hard met de aantallen en nu worden ook de rupsen veel gezien. Lees meer
HERKENNING
De buxusmot (Cydalima perspectalis ) is een vlindersoort uit de familie van de grasmotten (Crambidae). Ze is ongeveer 4 cm groot, heeft witte vleugels met een bruine rand, met daarin een wit vlekje, de kop is bruin. Er komen ook helemaal bruine exemplaren voor, ook daar is een wit vlekje aan de rand te zien. De rupsen maken 6 tot 7 stadia door voor ze gaan verpoppen, ze beginnen klein en geel, worden na elke vervelling wat groter en kleurrijker, er komt groen bij, bruine en zwarte strepen, stippen.
De oudste rupsen zijn felgroen met een zwarte kop, een patroon van zwarte stippen en zwarte en lichte lengtestrepen. Een volgroeide rups is ongeveer 4 cm groot en zit meestal verscholen binnen in de plant.
LEVEN
De rupsen van de vlinder hebben geen variatie op het menu, ze eten alleen buxus. De vlinder leeft maar kort, gemiddeld 8 dagen tot maximaal twee weken.
Het vrouwtje kan 100 eitjes per dag leggen, tot een maximum van 500-800! De eitjes worden netjes aan de onderkant van de buxusblaadjes afgezet.
Na uitkomst maken rupsen soms spinsels waar ze samen in zitten om zich te beschermen, deze kan je wel zien zitten in de struiken ook al zijn de rupsen in het begin nog heel klein.
Verpoppen doen ze ook in de struik. De eerste generatie begint daarmee in mei. De rupsen hangen aan de staart in de struik, in een tussen de bladeren gesponnen, wittig cocon. De pop is ongeveer 1,7 cm lang. De pophuid is doorzichtig, de kleuren van de rups en later de vlinder zie je door deze pophuid heen. Het pas gevormde popstadium is felgroen met donkere en lichtere strepen en vlekken. De oudere pop is crèmekleurig met bruin. Het uitkomen van de rupsen tot aan de popfase duurt twee tot drie weken.
De popfase daarna ongeveer twee weken. De buxusmot kan twee tot drie generaties in één jaar hebben. Afhankelijk van het weer zal de vlinder overwinteren als rups of als pop.
INVASIEVE EXOOT?
De buxusmot wordt vaak een invasieve exoot genoemd. Maar de soort is volkomen afhankelijk van de buxus, ze verspreiden zich over het land, alleen omdat de buxus overal te vinden is. Tot nu toe tasten ze geen andere (inheemse) soorten aan. Geen buxus, geen mot, de mens is helemaal zelf verantwoordelijk voor deze invasie. De buxus zelf is de invasieve exoot, onze inheemse flora en fauna heeft alleen maar hinder van deze modeplant. Buxus wordt kort gehouden, zodat er nooit bloemen of vruchten aankomen, waar andere insecten of vogels wat aan zouden kunnen hebben. Waar een buxus staat kan geen andere, voor onze natuur meer waardevolle plant staan.
ECOLOGIE
Als een nieuwe soort zich vestigt in een nieuw gebied, duurt het even voor de al inheemse soorten er wat mee gaan doen. In de eerste jaren werden de rupsen en vlinders niet herkend. Dat is nu aan het veranderen, steeds meer soorten vogels ontdekken vooral de rups als eetbaar. Na verloop van tijd zullen naar alle waarschijnlijkheid ook andere “natuurlijke” vijanden de weg naar de soort weten te vinden.
GEEN GIFTIGE BESTRIJDINGSMIDDELEN!
Omdat buxus in vrijwel iedere tuin te vinden is, zal de mot vroeg of laat volgen. De buxus zal zich niet meer op zijn mooist kunnen tonen, dus mensen verzinnen wat om de rupsen weg te krijgen. Het makkelijkst en helaas meest toegepast is het gebruik van bestrijdingsmiddelen, die helaas altijd meer bestrijden dan de soort waarvoor het is bedoeld. Vogels die eindelijk geleerd hebben om de rupsen te eten, hebben er veel last van. Jonge vogeltjes die groot moeten worden met buxusmot rupsen hebben het zwaar en zullen waarschijnlijk sterven. Behalve de vlinders en rupsen, zijn er ook andere aantastingen van de buxus zoals schimmels, kijk dus altijd eerst goed wat er aan de hand is. Door droogte, te veel zon, te weinig voeding kan een buxus geel worden. Het gaat hier te ver om allerlei mogelijke middelen uitgebreid te noemen, die de buxus gezond en groen kunnen houden. Compost, rupsen met de hand vangen, feromoonvallen voor de vlinders, op internet is veel te vinden.
Omdat de plant geen meerwaarde voor onze eigen, zwaar onder druk staande biodiversiteit heeft, is mijn advies: vervangen door een andere inheemse en meer waardevolle plant. Gaat het alleen om een groene, onderhoudsvrije, op een plant lijkende structuur? Zoek eens op buxus en verf, een schilder heeft een groene spray uitgevonden die van de gele, dode buxus weer een groen sieraad maakt.
Melden
Heeft u een buxusmot of buxusrups gezien? Maak een foto en meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder op Het insect van de maand van de KNNV, daar kunt u eventueel ook reageren.
in de ban van de bij
Gaat het nou slecht of goed met de bijen? Kranten en tijdschriften berichten er tegenstrijdig over.
Vier feiten over honing- en wilde bijen. BIJEN FEIT 1: BIJENFEIT 2: BIJENFEIT 3: BIJENFEIT 4: Dit was een ingekorte versie van het dossier, verschenen in Mens en Natuur # 1 2017. Tekst Gemma Venhuizen
Het gaat slecht met de neushoorn, met de ijsbeer en met de pandabeer. Over het algemeen lijkt de aandacht die we schenken aan een bepaalde soort evenredig te zijn met de grootte van het desbetreffende dier. Lees meer
Bijen zijn belangrijk voor de bestuiving van onze gewassen Zouden de honingbijen en wilde bijen uitsterven, dan zou dat niet alleen betekenen dat er geen honing meer is. Nee, we zouden ook geen meloenen en kiwi’s meer hebben, om maar wat te noemen. Veel gewassen worden immers door bijen bestoven. Sommige mensen geloven dat de mensheid zelfs uitsterft als het gedaan is met de bij. Maar zo’n vaart loopt het niet, aldus Koos Biesmeijer, directeur van Naturalis Biodiversity Center, vorig jaar in een artikel in de Volkskrant: ‘Al onze granen en grassen worden door de wind bestoven, die hebben geen insecten nodig. Tarwe, gerst en hop zijn er dan nog. Ik zeg altijd: bier verdwijnt niet als bijen verdwijnen. Zonder bijen heb je nog steeds aardbeien, maar heel kleine. Veel gewassen en planten hebben een back-upsysteem; ze kunnen zichzelf bestuiven. Dat is beperkt, en je krijgt op den duur inteelt, maar dat kan nog best een tijd goed gaan.’ Wel ontstaat er schaarste, zegt Biesmeijer in datzelfde interview. ‘Als de bijen verdwijnen heeft dat effect op ongeveer driekwart van ons voedsel. Watermeloenen worden belachelijk duur, koffie wordt een stuk duurder, aardbeien ook, sinaasappels verliezen 20 procent aan opbrengst.’
Er zijn verschillen tussen honingbijen en wilde bijen Ook al spreken we over ‘de’ honingbij, in feite zijn er verschillende ondersoorten. Zo zijn er bijvoorbeeld de zwarte bij en de carnicabij. Honingbijen zijn ‘landbouwhuisdieren’, in de woorden van Koos Biesmeijer– alleen gehouden door imkers. Daarnaast komen in Nederland ook ruim 350 soorten wilde bijen voor: dit zijn echt andere soorten dan de honingbij. Waarin ze zich onderscheiden van de honingbij is hun leefwijze. In zijn boek ‘Gasten van bijenhotels’ schrijft IVN-lid Pieter van Breugel dat er van de 358 bijensoorten in Nederland 23 ‘sociale’ soorten voorkwamen: de honingbij en de hommelsoorten. De overige zijn solitaire bijen. Soms leven ze in kleine groepjes, soms helemaal alleen. Tot de wilde bijen behoren onder andere de gewone slobkousbij en de poldermaskerbij. De meeste soorten solitaire bijen maken nesten in de grond, andere gebruiken meestal gangen: bamboestengels, rietstengels…
Gif is een belangrijke boosdoener, maar niet de enige De achteruitgang van de bijen heeft te maken met een combinatie van factoren, vertelt lector bijengezondheid Arjen Strijkstra. Voor alle bestuivers geldt dat pesticiden nadelig zijn, maar bestrijdingsmiddelen zijn volgens hem maar een deel van het verhaal. Een andere reden voor de achteruitgang van de bijenstand is dat de landbouw grootschaliger wordt, met meer monoculturen en onkruidbestrijding. Tegelijkertijd verdwijnen veel planten en bloemen – bijvoorbeeld door verstedelijking. ‘De voedselsituatie is essentieel voor alle bijen. Voor solitaire bijen is daarnaast van groot belang dat er in de buurt van de drachtplanten ook de juiste nestgelegenheid aanwezig is. Ze hebben namelijk maar een kleine actieradius – een paar honderd meter. Hommels zijn wat dat betreft robuuster, en kunnen wel een kilometer vliegen. Je hebt dus als bij het juiste voedsel nodig in de juiste tijd van het jaar, en de juiste broedgelegenheid op de juiste afstand vliegen. Dat is nogal wat.’
We kunnen de bijen helpen Gelukkig zijn er voldoende methodes om de bijen te helpen: het inzaaien van bloemen, bijvoorbeeld. Strijkstra: ‘Als je zorgt voor bloemrijke bermen, dan verbeter je leefgebied en infrastructuur voor de bijen. Je zorgt voor verbindingswegen.’ Tegenwoordig kun je insectenhotels voor wilde bijen in vrijwel elk tuincentrum kopen. Maar de kwaliteit is niet altijd even goed. ‘Soms is het gewoon waardeloze rommel’, aldus Pieter van Breugel. ‘Er zijn kasten waar je 50 tot 100 euro voor neer moet tellen, maar waar je feitelijk niets aan hebt. De diameter van de riet- en bamboestengels is veel te groot – een doorsnede tussen de 2 en 8 millimeter is optimaal – of de stengels zijn aan twee kanten open en volledig hol van binnen. Terwijl het juist van belang is dat er maar één opening is. Mijn advies: begin op kleine schaal, met een nestblok van bijvoorbeeld eiken, en kijk wat werkt.’
behangersbij
EIGEN ERVARING Wat een mooi verhaal! Wat een fijn idee dat Tilly de tijd neemt om het gedrag te volgen en wil delen. Verwondering en verbazing om onze natuur zo dichtbij, veel mensen kunnen hier een voorbeeld aan nemen. Ook op ons inventarisatie weekend op ATV Zonnegaarde zagen we diverse behangersbijtjes in actie. Bijna in tegenstelling met de mensenwereld: zijn bijtjes met behang in de weer dan zijn het vrouwen. HERKENNING In de eerst aangelegde broedcellen worden bevruchte eitjes gelegd, waaruit zich nieuwe vrouwtjes ontwikkelen. De cellen die vooraan zitten bevatten de onbevruchte eitjes die mannetjes opleveren. Zoals bij alle bijen komt een ei na enkele dagen uit en duurt het enkele weken voordat de larve is volgroeid. Deze zorgt er dan voor dat haar uitwerpselen en eventuele voedselresten tegen de wand van de cel komen te liggen. Ze zuivert haar darmen voordat ze een stevige cocon spint, die van binnen helemaal schoon is. Deze ovale cocon is roodbruin van kleur en zit ingebed in de laag uitwerpselen en de bladkoker. Pas in het voorjaar verpopt de larve, om in mei of juni als volwassen dier tevoorschijn te komen. De meeste behangersbijen kennen maar één generatie per jaar. Van enkele soorten behangersbijen, bijvoorbeeld de tuinbladsnijder, de grote bladsnijder en de gewone behangersbij wordt vermoed dat ze soms een tweede generatie kennen, afhankelijk van de weersomstandigheden. De mannetjes van behangersbijen zijn kleiner en verschijnen enige dagen eerder dan de vrouwtjes. Ze zijn er alleen voor de bevruchting, soms vindt de paring al plaats bij de nestgang waar het vrouwtje uit tevoorschijn komt, maar mannetjes zoeken ook naar paringskansen door ijverig te patrouilleren langs bloemen waar vrouwtjes te verwachten zijn. Voor hun energie drinken de mannen ook nectar. Zien ze iets van hun gading dan maken ze midden in hun vlucht een noodstop, ze kunnen prima stil blijven hangen in de lucht om beter te kunnen kijken. De mannen vergissen zich regelmatig, dan blijkt het een nectar drinkende andere man, een hommel, een honingbij of een vrouwtje van een andere behangersbijensoort te zijn. Maar betreft het een vrouwtje van de eigen soort, dan proberen ze met hun achterlijf meteen contact te maken. Vrijwel altijd worden ze afgewezen, maar ze blijven het weken volhouden. Ze hebben verder ook weinig te doen. Vrouwelijke behangersbijen hebben een goed ontwikkelde angel, waarmee enkele soorten venijnig kunnen steken. Heeft u behangersbij gezien? Maak een foto en meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder op Het insect van de maand van de KNNV, daar kunt u eventueel ook reageren.
Via Fien Aleman kreeg ik een leuke waarneming binnen van Tilly Deelen, wonend op de Laan van Eik en Duinen in Den Haag:
Sinds 3 weken weet ik dat ik een behangersbij heb op mijn balkon in een oude viooltjeszak, had er nog nooit van gehoord. Het is vast een grote klus want hij of zij komt om de 15 min met een stuk behang aanvliegen. Lees meer
Geen soort maar een groep, dus hier alleen algemene kenmerken.
In Nederland komen 15 soorten behangersbijen voor, de meeste zijn heel zeldzaam of aan een specifiek biotoop, hei, duin gebonden.
Behangersbijen (Megachile) zijn grote (9-18 mm), breedgebouwde bijen, de vrouwen hebben geen verzamelharen of korfjes aan de achterpoten zoals honingbijen of hommels, maar een buikschuier. De buikschuier heeft lange, oranje of rode beharing met zwarte haren aan het eind onder het achterlijf. Daarin verzamelen ze stuifmeel en transporteren dat naar hun nesten. De vleugels zijn bij bloembezoek dikwijls gespreid in V-vorm en ze houden daarbij vaak het achterlijf opvallend omhoog geknikt. De vrouwen knippen met de kaken stukjes uit bladeren om de nestgang te bekleden. Een bij die met een bladstukje tussen kaken en poten geklemd langsvliegt, is een vrouwtje behangersbij. Dit is ook te zien bij bijenhotels, waarin sommige behangersbijen hun nesten kunnen bouwen.
VLIEGTIJD
Behangersbijen zijn allemaal zomersoorten, de eerste vliegen vanaf half mei, de laatste vrouwtjes kunnen tot eind augustus voorkomen.
LEVEN
Behangersbijen danken hun naam aan de gewoonte van de vrouwtjes om hun nestcellen te ‘behangen’ met stukjes (bloem)blad. Deze stukjes knippen ze zelf met hun kaken uit de bladeren van allerlei planten. Een plant kan er al snel als een gatenkaas uit zien. Aan dit gedrag zijn behangersbijen direct te herkennen. Het knippen gaat razendsnel, soms is het met 10 seconden klaar. Het allerlaatste stukje trekt ze los tijdens het wegvliegen. Een complete nestgang bevat zo’n 100 stukjes blad. Ze vliegen tot ongeveer 100 meter voor de bladstukjes. Langwerpige stukjes zijn voor de gang, de ronde om de kamertjes af te sluiten. Is een kamertje goed dan legt ze daar een brij van stuifmeel van de schuier en nectar uit de krop neer legt een eitje en sluit het af, de deur van het oude kamertje is de achterwand van het volgende.
Nesten worden aangelegd onder boomschors, tussen stapelstenen, in spleten en tussen plantenwortels, geknaagd in zacht hout of het merg van plantenstengels. Turfmolm of zand blijken voor een aantal soorten eveneens goede substraten om nestgangen in te maken en ook aarde zoals het voorbeeld van Tilly Deelen laat zien. Ook oude vraatgangen van kevers, verlaten nesten van andere bijen en bijenhotels bieden mogelijkheden.
NAAM
De wetenschappelijke benaming Megachile betekent ‘grootlip’ en verwijst naar de forse kaken om bladstukjes te kunnen knippen. Vanwege het knippen van bladstukjes heten enkele soorten in Nederland ’bladsnijder’.
VERSCHILLEN MET EEN HONINGBIJ LEVEN MISLEIDING NAAM Heeft u blinde bij gezien? Maak een foto en meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder op Het insect van de maand van de KNNV, daar kunt u eventueel ook reageren. De blinde bij (Eristalis tenax) is één van de 350 soorten zweefvliegen in Nederland. De naam is verwarrend want het is een vlieg en geen bij. De Blinde bij vliegt het hele jaar door en is een zeer algemene soort. Lengte: 14 – 16 mm, het achterlijf is breed, donkerbruin, glanzend met smalle gele dwarsstrepen en een variabele vlekkentekening, rugplaatje twee meestal met twee grote oranje vlekken. Het gezicht heeft een zwarte middenstreep, de antenneborstels zijn vrijwel kaal. De ogen hebben twee verticale haarlijnen. Lees meer
Bij zweefvliegen zijn vrouwen en mannen herkenbaar aan de ogen: bij mannen raken de ogen elkaar boven op de kop, bij vrouwen niet, om de vrouwen te ontdekken hebben ze grotere ogen nodig.
De blinde bij doet erg zijn best om op een honingbij te lijken. Vorm, kleur en grootte doen aan die soort denken. De volwassen blinde bijen bezoeken bloemen voor nectar, zoemt bij-achtig bij het vliegen en laat zelfs de achterpoten hangen, net als honingbijen. De achterscheen is bij de blinde bij verdikt en heeft lange haren, maar alleen bij de echte bijen kunnen daar ook de stuifmeelkorfjes te zien zijn. Een zweefvlieg heeft een paar vleugels, het twee paar heeft zich ontwikkeld als haltertjes die luchtstromingen en – trillingen waarnemen en die het vliegen en de wendbaarheid ondersteunen.
Als je even aandachtig kijkt zie je de verschillen met honingbijen. Allereerst de manier waarop ze vliegen: de blinde bij vliegt, net als andere zweefvliegen niet vloeiend. Ze staan regelmatig stil in de lucht. Als ze ergens landen en stilzitten valt een ander verschil op: de vleugels houden ze in een soort driehoekje boven hun lichaam, terwijl bijen die recht boven hun lijf vouwen.
Ook in de antennes zit verschil, bij bijen lang en met meer geleding, bij alle vliegen, net als bij de blinde bij kort. Bovendien kunnen (zweef)vliegen niet steken.
Alle vliegen en ook deze soort hebben een korte tong. Zij bezoeken bloemen waar de nectar en stuifmeel niet te diep zit zoals composieten en schermbloemen. Hierdoor zijn het ook goede bestuivers. De larven van de blinde bij leven in water. Vrouwen blinde bij overwinteren in holle bomen en andere ruimtes. In het voorjaar zetten ze tussen de 100 en 150 eitjes af op het wateroppervlak. De larven kunnen prima tegen vies en vuil of zuurstofloos water. Ze hebben een lange, uitschuifbare adembuis, waarmee ze boven het wateroppervlak adem halen. Ze worden vanwege de adembuis ook wel rattenstaartlarve genoemd. De larve leeft in de modder en eet rottend organisch materiaal, in het water opgeloste stoffen en plankton. De larve draagt zo bij aan de kringloop door verdere vertering van organische stoffen. Voor het verpoppen kruipen ze op het droge. Zweefvliegen kunnen als geen ander stilhangen in de lucht om alles in de gaten te houden. De mannen kunnen zo in hun territorium in de gaten houden wie er langskomt. Andere mannen worden verjaagd, vrouwen verleidt om te paren.
De blinde bij misleidt door zijn gelijkenis met echte bijen mogelijke predators (mimicry).
De blinde bij kan heel goed zien, het “blinde” kan zijn omdat deze soort niet kan steken of omdat er haren op de ogen staan, waardoor men eerder dacht dat het zicht niet sterk was.
de grote klokjesbij HERKENNING VOORKOMEN ECOLOGIE Heeft u een grote klokjesbij gezien? Meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder op Het insect van de maand van de KNNV, daar kunt u eventueel ook reageren. EIGEN ERVARING
Een enthousiaste jonge bijenkenner vertelde me dat mannetjes van de grote klokjesbij vaak overnachten in de bloemen van Campanula soorten. Om het bewijs te leveren liep hij in de avond de tuin in, naar een plant met klokjes en jawel in de eerste de beste bloem zat zo’n bij. In de avond sluiten de bloemen zich en de bij zit er veilig en beschermd. Dat laatste was te merken later in de week, er waren heftige regenbuien ’s nachts, de bij was wel wat nat geworden, maar kon zich door de ochtendzon lekker laten opdrogen en met een nieuwe dag beginnen. Lees meer
Ze vliegen tot eind augustus, deze maand dus nog kans om deze bijensoort te zien. Overdag de vrouwtjes die stuifmeel verzamelen en wie weet in de avond een overnachtende man. Vrouwtjes overnachten vaker in de nestgang waar ze overdag in bezig zijn.
De grote klokjesbij (Chelostoma rapunculi) behoort tot de familie behangersbijen, Megachilidae. Ze hebben een smal lijfje en zijn ongeveer 1 cm lang. De vrouwen hebben een geel-witte buikschuier, haren onderop het achterlijf waarmee zij stuifmeel vervoeren. Het stuifmeel vervoer is dus anders geregeld dan bij o.a. honingbijen die hiervoor aan de achterpoten extra haren hebben. Verder zijn de vrouwen niet zo behaard op de smalle witte haarbandjes op het achterlijf na. De mannen zijn vrij sterk geel-bruin behaard, zowel kop, borststuk als achterlijf. Mannen hebben een gekromd achterlijf en grijsgroene ogen. Beide hebben stevige, gebogen kaken.
LEVEN
Grote klokjesbijen vliegen van mei tot en met augustus. Ze verzamelen stuifmeel liefst van diverse klokjes, Campanula soorten en ook wel van kaasjeskruid, salie, slangenkruid, wilgenroosje e.a. De vrouwen verzamelen het stuifmeel in hun buikschuier. Nesten worden gebouwd in holle stengels, boorgangen van kevers, dood hout en ook in bijenhotels met riet, bamboe of geboorde houtblokken. Een ingang moet 4 tot 5 mm zijn. Een nest bestaat uit cellen die gescheiden zijn door wandjes van zand en leem. De afsluitende wand bestaat uit leem/zand vermengd met steentjes. Het materiaal wordt met wat nectar en speeksel aan elkaar geplakt. Met haar kaken brengt het vrouwtje het wand-materiaal en de steentjes naar het nest. Per cel wordt er stuifmeel aangevoerd en wordt één ei gelegd. De larve eet alle stuifmeel op en overwintert in een zelfgesponnen cocon als larve. In het volgende voorjaar verpopt de larve om begin mei als volwassen bij het leven te beginnen. Er is één generatie per jaar. De eerste eitjes die gelegd worden in een nest zijn bevrucht, dat worden later de vrouwtjes, de laatste eitjes zijn onbevrucht, daaruit komen de mannen. Na de laatste cel met een eitje is vaak een lege ruimte, zo kunnen bijvoorbeeld vogels geen larven eruit halen.
Zoals bij veel solitaire bijensoorten komen de mannen eerder uit dan de vrouwen en blijven dan hangen rond nestblokken en bloemen waar ze vrouwen kunnen verwachten. Mannen drinken als energiebron nectar van dezelfde bloemen als de vrouwen bezoeken.
Minder vrije natuur, met daarin steeds minder klokjes maken steden en dorpen met tuinen waarin nog wel klokjesbloemen staan een toevluchtsoord voor onze klokjesbijen. De foerageer afstand van de grote klokjesbij is niet zo groot, ongeveer 100 meter. Nestgelegenheid en bezochte bloemen moeten binnen die afstand te vinden zijn.
Parasitaire bijen van het geslacht Stelis, tubebijen en knotswespen zijn parasieten. Zij leggen hun eitjes in de cellen van de klokjesbij, de larven daarvan eten ofwel de voedselvoorraad van de oorspronkelijke bewoner of de larve zelf. Verder zijn er nog vliegen, bronswespen, sluipwespen, mijten, kevers die de larven of bijen als prooi zien.
dagpauwoog MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van april 2023 van de KNNV afdeling Den Haag. De dagpauwoog (Aglais io) is een dagvlinder van de familie Nymphalidae of Aurelia’s, de familie van schoenlappers, parelmoervlin- ders en zandoogjes. De dagpauwoog heeft oranjerode vleugels met een (pauw)oogvlek op de bovenzijde van alle vier de vleugels. De onderkant van de vleugels heeft donkerbruine kleuren en donkere strepen. Lees meer
VOORKOMEN
De vlinders komen in het hele land voor. Ze kunnen vele kilometers vliegen, vaak door de wind gedreven. Allerlei biotopen zijn geschikt: bloemig grasland, randen van bos en heide, dijken, parken en tuinen.
VOORTPLANTING
Dagpauwogen zijn standvlinders. Ze overwinteren als vlinder op donkere plekken, zoals boomholtes, dichte struiken, schuren en gebouwen. In de lente worden ze weer wakker en zoeken vroege bloeiers op voor de nectar, paardenbloemen, klein hoefblad, sleedoorn e.d. Ze zoeken kale grond en molshopen op om zich te laten opwarmen door de zon. De mannen hebben een territorium, ze verjagen andere mannen en hopen vrouwen te verleiden. Ze zijn daar niet trouw aan hun territorium, een volgende dag kunnen ze weer een ander gebied bezetten. Een vrouw zoekt geschikte planten om 50 – 200, groene, ovale eitjes af te zetten op de onderkant van bladeren of stengels. Ze kiest daarvoor het liefst de grote brandnetel, maar ook kleine brandnetel of hop, die op wat vochtige, beschaduwde plaatsen staan. Na de voortplanting sterven deze vlinders.
RUPSEN
De eitjes komen na ongeveer twee weken uit. De rupsen zijn dan 3 mm, lichtgroen met een zwart kopje. Ze vervellen al na enkele dagen en gaan dan samen wonen, ze spinnen de bladeren wat samen met spinsel. Is de brandnetel opgegeten, dan verhuizen ze naar de plant ernaast. Ze vervellen vier keer, elke keer worden ze wat donkerder. In het laatste stadium leven ze meer alleen en zijn te vinden bovenop bladeren. Verpoppen doen ze op de plant of vlak daarbij. Het rupsenstadium duurt ongeveer een maand, het de popstadium een week.
ZOMERVLINDERS
De vlinders die nu uitkomen kunnen nectar halen uit veel soorten planten, koniginnekruid, distels, vlinderstruik. Ook op rottend fruit komen ze af. In gunstige omstandig- heden kunnen de nieuwe vlinders nog een generatie voortbrengen.
ECOLOGIE
Vogels en muizen eten graag een vlinder of rups. De vlinders zijn met dicht gevouwen vleugels moeilijk te zien. Als ze toch gevonden worden, schrikken de plotseling zicht- bare oogvlekken de belagers hopelijk af. De rupsen kunnen zich oprichten en heen en weer wiegen, als dat nog niet genoeg indruk maakt, kunnen ze ook slijm afscheiden, waardoor ze oneetbaar worden. Een andere tactiek is snel oprollen en van het blad of stengel afvallen.
Heb je een dagpauwoog gezien?
Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
de duizendpoot EIGEN ERVARING HERKENNING VOORTPLANTING VOEDSEL Melden Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder op Het insect van de maand van de KNNV, daar kunt u eventueel ook reageren. Er zijn vele bodemdieren waaronder de veelpotigen, daarom deze maand aandacht voor de duizendpoot. Geleedpotigen worden onderverdeeld in vier grote groepen, het aantal pootjes bepaald bij welke groep een dier hoort: met zes poten is het een insect, met acht een spin of spinachtige, met tien tot veertien pootjes ben je een kreeftachtige (zoals een pissebed) en met nog meer behoor je tot de veelpotigen. Duizend- en miljoenpoten vallen onder de veelpotigen (Myriapoda) Lees meer
Voor het vinden van een duizendpoot of miljoenpoot moet je laag op de grond kijken. Ze scharrelen tussen bodemstrooisel en ook wel in en onder wat verder vergaan en dus zachter hout. Vooral duizendpoten zijn heel snel en houden niet zo van licht, ze zullen gauw wegkruipen.
Duizendpoten (Chilopoda) zijn lange,afgeplatte dieren met een kop met antennen en monddelen en een lijf dat bestaat uit segmenten, het aantal segmenten is afhankelijk van de soort. Elk segment heeft een paar poten, daarin zijn ze te onderscheiden van miljoenpoten, die hebben aan elk segment twee paar poten. Het aantal poten is verschillend is per soort duizendpoot, maar geen enkele haalt de duizend, ook bij de miljoenpoten wordt dat aantal niet gehaald.
Duizendpoten zijn 5 tot 50 mm groot, hebben minstens 15 paar poten en bij meer poten altijd een oneven aantal. Het voorste paar poten zijn gifklauwen geworden, het achterste paar poten is verlengd en dient als antenne. Ze zijn vaak oranje of bruin gekleurd, soms ook wat lichter.
Mannetjes maken een webje met een spermapakketje ergens op de bodem, de vrouwtjes nemen deze op. Het vinden van het spermapakketje is een taak van de vrouwtjes. Bij een enkele soort probeert de man een vrouw attent te maken op zijn pakketje. Een aantal soorten zet alleen onbevruchte eitjes af, daaruit komen alleen maar vrouwtjes. De eitjes worden in groepjes (10-50) afgezet in de bodem of in hout. De ontwikkeling duurt een tot enkele maanden. Veel soorten kennen broedzorg, de moeders bewaken de eitjes en jongen, houden ze schoon van schimmels en behoeden ze voor uitdroging. De nimfen hebben altijd minder segmenten dan de volwassen dieren, Ze vervellen 5 tot 10 keer in 1,5 tot 3 jaar. Duizendpoten kunnen 4 tot 6 jaar worden.
Duizendpoten zijn jagers, ze jagen op alles wat geschikt is: niet te groot en zacht van structuur, wormen, slakken, pissebedden, insectenlarven en ook spinnen. Ook kannibalisme komt voor. Ze kunnen niet zo goed zien, ze hebben eenvoudige ogen en sommige soorten zijn blind. Ze vinden hun prooi met hun antennen. Met de gifklauwen
wordt een prooi verdoofd of gedood, waarna ze met de monddelen de prooi in stukjes bijten die opgegeten kunnen worden. Zelf worden ze gegeten door vogels, amfibieën, loopkevers en spinnen.
Voorkomen en ecologie
In de bodem leven de dieren vooral in worm- en oude wortelgangen. Ook al wat vergaan, zacht en nat hout is geschikt. Ze zijn gevoelig voor uitdroging en zijn actief in de nacht en bij vochtig weer. Bij droogte kruipen ze dieper de bodem in.
Ze zijn belangrijk in de voedselkringloop omdat ze plantenetende dieren in toom kunnen houden. Zelf zijn ze ook voedsel voor tal van diersoorten. De meesten soorten en ook aantallen zijn te vinden in wat oude, onverstoorde bossen in het oosten van het land. Maar ze komen natuurlijk hier ook voor, zoek in het strooisel of onder liggend hout.
Heeft u duizendpoot gezien? Maak een foto en meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
de eikelboorder
Snuitkevers vind ik een hele leuke kever soort. Door hun verlengde snuitjes lijken het net miniolifantjes. De antennen staan op de snuit, dat ziet er ongemakkelijk uit, maar daar zal een snuitkever anders over denken. Veel van de snuitkevers zijn erg klein en lastig te vinden. Daarop zijn de eikelboorders een uitzondering. Lees meer
HERKENNING Een eikelboorder behoort tot de snuitkevers, kevers met een verlengde kop, dat eruitziet als een snuitje. Er is een grote eikelboorder (Curculio venosus) en een kleine eikelboorder (Curculio glandium). De snuitjes van de eikelboorders zijn nog wat langer dan bij de andere snuitkevers en zijn krom. De kleine kevers worden 4 -tot 7,5 mm lang, de grote zijn 7 – 9 mm. De grote eikelboorder is zwart met goudbruine beharing. De kleine eikelboorder is meer roodbruin. Beide hebben een klein wit vlekje op de naad van de dekschilden aan de rand van het halsschild. Het achterlijf steekt iets onder de dekschilden uit. De snuit is bij de vrouwtjes evenlang als het lichaam en bij de mannetjes iets korter. De grote eikelboorder wordt het meest in augustus gezien, de kleine eikelboorder in mei, maar is in augustus zeker ook nog te vinden. LEEFWIJZE Het vrouwtje boort in een onrijpe eikel een gaatje en legt een of twee eitjes in de eikel. Na ongeveer twee weken komt er een geelwitte larve uit het ei. Deze eet en leeft binnenin de eikel. De larve heeft geen poten (hoeft ook nergens heen), is geelwit en een roodbruine kop. Ze vervellen een paar keer, ze worden een 10 mm groot. In de herfst valt de eikel op de grond en boort de larve een gat naar buiten en graaft zich tot ongeveer 25 cm diepte in de grond. Na de winter verpopt de larve zich en in mei of juni komt de nieuwe kever uit. Eikels waar een larve van een eikelboorder in heeft gezeten hebben een klein rond gaatje. Zoek in de herfst, als de eikels op de grond zijn gevallen, of je zo’n gaatje kan vinden. SOORTGELIJKE DIEREN Op eiken is nog een “boorder” te vinden, eikengalboorder (Curculio villosus). Deze kever legt eitjes in de aardappelgallen. Dit zijn grote gallen op eik, die op een aardappel lijken en veroorzaakt worden door de aardappelgalwesp. De keverlarven eten het weefsel van de gal en concurreren zo met de wespenlarfjes. Ook deze keverlarven verpoppen in de bodem. Dit zijn kleinere zwarte snuitkevertjes, wel met het witte vlekje. Te vinden op (verse) aardappelgallen en meest in mei, maar toch ook wel in augustus. Er is ook een hazelnootboorder, met een bijna vergelijkbare levenswijze maar dan in hazelnoten. ECOLOGIE De natuur geeft in overdaad vruchten en daar profiteren de boorders van. De eik heeft er niet veel last van. Aangegeten eikels kunnen zelfs nog ontkiemen, alleen is de voorraad voedsel voor de kiemplant wel minder dan bij eikels zonder larve. De kevers zelf en de larven worden ook gegeten. Natuurlijk door de eikeleters, dan gaan ze toevallig mee naar binnen. De kevers worden gegeten door insecteneters als vogels en spinnen. Als eikels commercieel geoogst moeten worden zijn ze wel “schadelijk” omdat ze in een goed jaar veel eikels kunnen aantasten. MELDEN Heb je een eikelboorder gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van augustus 2021 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.
Ze zitten vaak zichtbaar op een blad, wel altijd in de buurt van eiken! Ze hebben prachtige grote ronde ogen en dat in combinatie met de extra lange, kromme snuit maakt ze erg aantrekkelijk. Je kan ook zoeken naar jonge eikels die nog moeten rijpen aan de boom, daarop kan een eikelboordervrouwtje bezig zijn met boren.
gallen
GALLEN GALVORMING VOORDELEN VAN GALLEN VOOR DE BEWONER INWONING Heeft u een gal gezien? Meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder op Het insect van de maand van de KNNV, daar kunt u eventueel ook reageren. GALLEN ZOEKEN EN MELDEN
Juist in deze tijd van het jaar, als de dieren zelf meest in winterrust zijn, is het zoeken naar gallen een leuk tijdverdrijf. Tot en met 2022 worden zoveel mogelijk waarnemingen van plantengallen verzameld, met als doel het maken van een Plantengallen-Atlas.
Iedereen mag meedoen, want als je de plantengal en de waardplant op de foto hebt, zijn bijna alle soorten goed te herkennen. Op waarneming.nl is een makkelijke gallenzoeker: typ de waardplant in en je krijgt een lijst met mogelijke gallen. Lees meer
Gallen zijn abnormale vergroeiingen van een organisme, veroorzaakt als reactie op de aanwezigheid van een ander organisme. Als dat eerste organisme een plant is spreken we van plantengallen. Plantengallen kunnen op alle delen van een plant voorkomen: wortel, stengel, blad, bloem of vrucht. Ze zijn te zien als knobbels, verdikkingen, omgerolde bladranden, bolletjes, dikke blad- of bloemknoppen en vreemde vruchten.
Gallen worden veroorzaakt door een keur van organismen: aaltjes, bacteriën, schimmels, insecten als luizen, mijten, muggen, gal- en bladwespen. Veel gallen worden veroorzaakt door muggen, op eik zijn het vaak galwespen en op wilg weer meer bladwespen.
Galmuggen: larven van galmuggen zuigen plantensap voor eiwitten. De deels afgebroken eiwitten komen terug in de plant en zetten zo aan tot galvorming.
Gal- en (sommige) bladwespen: bij het leggen van een eitje wordt een stof afgescheiden die de plant aanzet tot galvorming. De larve van de galwesp scheidt ook stoffen af die tot galvorming leiden.
Luizen: de moederluis (fundatrix) kan tot galvorming aanzetten
Galmijten: volwassen dieren brengen een groeistimulerende stof in de plant, die reageert met aanmaken van een gal met haren bekleed. Het plantenweefsel wordt zachter en makkelijker te doorboren door de mijten.
Er zijn verschillende mogelijkheden voor de voordelen die gallen bieden. Zo kan het binnenin een gal veilig zijn door de stevigheid van het omhulsel en of zijn weersinvloeden minder van invloed. Het galweefsel kan voedzamer zijn of door de structuur beter op te nemen door de larven.
Niet alleen de makers en hun nageslacht bewonen de gallen. Er zijn tal van insecten die ook wel zo’n stevig huisje willen voor hun kroost. Zij leggen hun eitjes erbij, maar doen de oorspronkelijke bewoner geen kwaad. Ze worden inquilinen genoemd. Er zijn ook andere die de oorspronkelijke bewoners wel doden, de parasitoïden hebben “gastheer” nodig als voedsel.
Het geheime leven van de gele weidemier VOORKOMEN MIERENLEVEN LEVEN GELE WEIDEMIER ECOLOGIE Mieren zijn voedsel voor vele dieren, de groene specht leeft vooral van mieren en zoekt ook in tuinen naar deze gele hapjes. Mieren zijn zeer belangrijk door hun graafwerk onder de grond. Ze houden de grond luchtig, daardoor hebben andere bodemdieren en planten het makkelijker en regen- water wordt beter opgenomen in de lossere grond. BEDREIGING MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van mei 2023 van de KNNV afdeling Den Haag. Vanwege de workshop mieren die de KNNV begin juni 2023 organiseert, één van de soorten mieren die wel veel voorkomen, maar een bijna onzichtbaar leven leiden. Ze komen namelijk niet veel bovengronds, ze verzorgen zelf hun voedsel en hoeven dat dus niet bovengronds te zoeken. Als ze de tijd krijgen bouwen ze hun huis steeds hoger, het ziet eruit als een begroeide molshoop. In mijn vroegere grasveld (ik maai al jaren niet meer regelmatig) zijn er zeker twee van deze nesten. Lees meer
HERKENNING
De gele weidemier (Lasius flavus) is een gele (geelbruine) mier. De mannetjes zijn zwart. De grootte van de werksters is 1,7 – 4 mm, mannen 3 – 4,1 mm en de koningin 7 – 9,2 mm. Binnen een volk leven mieren van verschillende grootte. Als alle mieren hebben ze een duidelijke kop, met antennen en kaken, een smaller borststuk en een weer wat groter, ovaal achterlijf. Tussen het borststuk en achterlijf zit een “steel” met een schub, de gele weidemieren horen bij de schubmieren.
Het is een algemene soort die leeft in stedelijk en gecultiveerd gebied. Grasland, bos, bosranden, duinen en tuinen. Nesten zijn te herkennen als een met gras en kruiden aardheuvel. Soms leven ze dieper onder de grond en valt het nest niet op. Ook onder stenen / tegels of in molshopen kunnen ze hun nest bouwen. De nestdichtheid kan hoog zijn.
Mieren leven in kolonies. Er zijn één “(monogyn) of meerdere koninginnen (polygyn) in zo’n kolonie die eitjes leggen. Werksters verzorgen de koningin, de eieren, larven en poppen. Ook zorgen ze voor de voedselvoorziening, onderhoud van het nest en bescherming van de kolonie. Werksters zijn altijd vrouwen. Als de tijd daar is worden er mannen en nieuwe (mogelijke) koninginnen “aangemaakt”. De koninginnen en de mannetjes zijn gevleugeld en kunnen de bruidsvlucht maken. Verschillende soorten mieren stemmen hun bruidsvluchttijd op elkaar af, zodat mieren uit verschillende kolonies met elkaar kunnen paren, hoog in de lucht. Eenmaal terug op de grond sterven de mannen en zoekt de koningin een nieuwe nestplek. De vleugels zijn dan niet meer nodig en vallen af.
Kolonies van gele weidemieren zijn zeer dichtbevolkt, ze kunnen uit duizenden werksters bestaan. Meeste kolonies zijn monogyn, maar ook polygyn komt voor. Hun voedsel bestaat voornamelijk uit honingdauw, de afscheiding van wortelluizen, die leven op wortels van grassen en kruiden. Ze leven in symbiose, de mieren beschermen de luizen in ruil voor de afscheiding van de luizen. Dat verklaart ook hun ondergrondse leefwijze, ze vinden hun voedsel ook onder de grond. Soms eten ze ook de luizen zelf of andere dieren als springstaarten. De bruidsvluchten vinden plaats in juni – oktober. Koninginnen keren terug naar hun nest en helpen het verder te ontwikkelen. Of ze beginnen een eigen nest.
Er is een speciale kever die leeft van het broed van de gele weidemier, de kleine knotskever Claviger testaceus. Deze staat in Nederland als zeldzaam te boek.
Bemesting, stikstof, ploegen en maaien bedreigen de kolonies. En niet te vergeten pesticiden.
Heb je een gele weidemier gezien?
Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
geribde prachtblindwants
Met recht een pracht wants
Dit artikel van Anna Kreffer met foto’s van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van juni 2023 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel. Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van maart 2023 van de KNNV afdeling Den Haag. Pas geleden zag ik een bijzonder insect op een blaadje zitten en vlak daarbij nog zo één, verderop nog meer. Het was een nimf van de geribde prachtblindwants, één van de grootste en mooiste soorten. Een volwassen exemplaar was er ook te vinden. Het meest bijzonder was nog dat de nimfen rustig bleven zitten. Veel (blind)wantsen zijn als nimf rusteloze beestjes, als ze doorhebben dat je ze ziet rennen ze naar de achterkant van het blaadje of laten zich vallen. Nimfen lopen vaak sneller dan de imago’s (volwassen dieren), zou dat zijn omdat ze nog niet kunnen vliegen? Lees meer
HERKENNING
De geribde prachtblindwants (Miris striatus) is een grote blindwants, 9-12 mm lang. De kop is zwart met naast het oog een gele vlek. Ze hebben een zwart halsschild met een gele tekening, het zwarte schildje heeft meestal twee gele strepen. Ze hebben zwarte voorvleugels met gele aders en met gele lengtestrepen tussen de aders. Het vliezige deel van de voorvleugels is zwartbruin met gele of oranjerode aders. De poten zijn rood- of donkerbruin, de schenen hebben zwarte stekels, de voeten zijn zwart. De nimfen zijn zwart met een gele tekening en ze lijken een beetje op mieren.
VERWARRING MOGELIJK
De gestreepte eikenprachtblindwants (Rhabdomiris striatellus) lijkt veel op de geribde prachtblindwants, leeft ook op eik en kan in dezelfde tijd gevonden worden. Toch zijn er voor de goede kijker duidelijke verschillen, deze soort kleiner, het schildje is geel en de poten zijn meer gelig.
WANTSEN EN BLINDWANTSEN
Wantsen (Heteroptera) hebben buisvormige monddelen waarmee ze voedsel kunnen opzuigen, net als cicaden en plantenluizen. Wantsen hebben twee paar vleugels, de vliezige vleugels waarmee ze vliegen liggen onder de voorvleugels. De voorvleugels zijn hard, als die van kevers, maar hebben een vliezige punt, bij kevers is de hele voorvleugel hard. Een groep wantsen zijn blindwantsen, zij missen de puntogen (ocelli) boven op de kop, de meeste andere wantsen hebben twee of drie ocelli. Ze hebben wel gewone ogen.
Wantsen hebben een onvolledige gedaanteverwisseling. Als ze uit hun ei komen lijken ze al wat op hun ouders, maar dan zonder vleugels. Ze vervellen vier tot vijf keer. In het laatste stadium voor ze volwassen worden is de vleugelaanzet al duidelijk te zien. Na de volgende vervelling hebben ze vleugels en kunnen ze vliegen.
HET LEVEN VAN DE GERIBDE PRACHTBLINDWANTS
In april komen de eitjes van de geribde prachtblindwantsen uit. Die eitjes zijn al in juni of juli van het jaar daarvoor gelegd, deze soort overwintert dus als ei. De nimfen lijken op mieren, zeker als ze nog klein zijn. Ze vervellen een aantal keer en eind mei, begin juli zijn ze volwassen en kunnen ze een partner zoeken. De vrouwtjes leggen hun eitjes in boombast.
VOEDSEL
Geribde prachtblindwantsen zijn zoöfytofaag, ze leven van planten én dieren (de meeste blindwantsen zijn vegetarisch). Met hun zuigsnuit prikken ze in planten of insecten om zich te voeden. Ze zoeken jong blad, groeipunten en rijpende zaden van vooral eik en sporkehout. Appel, peer, berk, els, hazelaar, iep, meidoorn, sleedoorn en wilg lusten de wantsjes ook. Zowel nimf als imago zijn rovers. Ze leven vooral van bladluizen, wol- en schildluizen, rupsen en poppen van verschillende bladmineerders: vliegenlarven, bladwespenlarven, bladrollers en larven van bladkevers.
ECOLOGIE
Ook wantsen zijn belangrijk in de kringloop van het leven. Ze houden bijvoorbeeld populaties van insecten waar ze op jagen op orde. Zelf zijn ze voedsel voor andere dieren. Wel hebben ze middelen om zich te verdedigen. Ze kunnen een vies goedje afscheiden. Er zijn ook diverse parasitaire wespen die wantsen als gastheer hebben.
BEDREIGING
Wantsen lijken iets minder last te hebben van veranderingen dan de nectar- en stuifmeelgebonden insecten als vlinders en bijen.
MELDEN
Heb je een geribde prachtblindwants gezien?
Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
getijgerde lijmspuiterIn de vroege ochtend op de wc in mijn logeerhuis zie ik een kleine spin stil op de grond zitten. Wat een vreemde plek gaat nog door me heen en ik vang hem/haar om wat beter te bekijken. Tot mijn verrassing en vreugde is het een mooie getijgerde lijmspuiter, een soort die ik al heel lang hoop tegen te komen! Het zijn nachtelijke jagers en met wat geluk kan je ze in de nacht over een muur zien lopen, maar dat was mij nog nooit overkomen. Lees meer
HERKENNING
De getijgerde lijmspuiter, Scytodes thoracica, is een spin uit de familie lijmspuiters of Scytodidae, de enige soort die in Neder- land voorkomt. Het zijn kleine spinnen, grootte: mannen 3-5 mm en vrouwen 4-6 mm. Ze zijn lichtgeel met een zwarte tekening op kop en lijf en geringde poten. Het kopborstdeel is ongeveer even groot als het achterlichaam. Lijmspuiters hebben zes ogen in plaats van acht zoals de meeste andere spinnen. Ze zijn het hele jaar te vinden in huizen en andere gebouwen.
LEEFWIJZE
Getijgerde lijmspuiters zijn vrij levende spinnen, ze maken geen web, ze gaan langzaam lopend op zoek naar prooi. Ze jagen ’s nachts, dan zijn de meeste prooidieren in rust. De lijmspuiters benaderen hun prooi voorzichtig en spuiten, met hun gifklauwen, een kleverig en giftig spinselmengsel in een zigzagpatroon over het slachtoffer heen. Zo vangen ze tot op 2 cm afstand prooien die daarna geen kant meer op kunnen en door de spin gegeten worden. Onder spinnen is het uniek dat spinselklieren in het kopborst- stuk zitten en verbonden zijn met de gifklieren. Zoals alle spinnen brengt de man met zijn palpen of monddelen sperma in bij de geslachtsopening van de vrouw. Deze draagt haar eieren onder haar lichaam mee, bij elkaar gehouden door wat spinseldraden.
ECOLOGIE
De getijgerde lijmspuiter is een zuidelijke soort, ze kan zich alleen binnenshuis handhaven. Prooien zijn allerlei kleine insecten als (fruit)vliegjes, muggen, tapijtkevers en motjes. Het is de enige soort die ook zilver-, papier- en ovenvisjes vangt.
MELDEN
Heb je een getijgerde lijmspuiter gezien?
Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Haagse kronkel en andere miljoenpoten
HERKENNING LEEFWIJZE VOORTPLANTING VOEDSEL EN ECOLOGIE Melden Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van oktober 2021 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.. AARDHOMEL HAALT NECTAR EN STUIFMEEL UIT SNEEUWKLOKJES STEENHOMMEL OP LOSSE KROKUS WEIDEHOMMEL IN EIGEN TUIN MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van maart 2021 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.Altijd spannend als je dood hout op de grond omdraait. Een keur van kleine dieren laat zich zien, vooral als het wat vochtig is, want daar houden ze van. Pissebedden, wormen, duizendpoten, kevers en hun larven en met wat geluk ook miljoenpoten.
Die laatste zijn soms niet erg beweeglijk of liggen opgekruld te rusten (denk ik), de meeste zijn nachtactief. Het grote verschil met duizendpoten is behalve het aantal pootjes per segment (duizend = een paar, miljoen = twee paar) het voedsel, een miljoenpoot is meest vegetarisch, terwijl een duizendpoot jaagt en een vleeseter is. Lees meer
Haagse kronkel (Cylindroiulus apenninorum) is een van die miljoenpoten en een exoot! In 1928 is deze voor het eerst aangetroffen in het Haagse Bos, vandaar de naam. Van oorsprong leven ze in de Italiaanse Apennijnen, hoe ze hier terecht zijn gekomen weten we niet. Het is een kleine bruine soort met aan het eind uitstekende puntjes, zowel aan de bovenkant als aan de onderkant, daaraan is de soort herkenbaar. Haagse kronkels houden van warmte en zandgrond en zijn inmiddels ook elders in het land te vinden. Ik zag ze voor het eerst in het WestDuinPark.
Miljoenpoten (Diplopoda of dubbelpotigen) hebben een langgerekt lichaam met vele segmenten. Ze bestaan uit drie delen: een kop(segment), een staart(segment) en daartussen een variërend aantal lichaamssegmenten. Na de kop komt een segment zonder poten, daarna heeft elk segment twee paar poten en één paar klieren, waarin afwerende stoffen zitten. De kop is aan de voorkant afgerond en verdikt. Als ze ogen hebben bestaan die uit ocellen, puntoogjes. Verder hebben ze antennen en monddelen om plantaardig materiaal te vermalen.Ze zijn vaak glanzend, de kleuren variëren van donkerbruin, grijs of wittig, de klieren zijn soms als vlekjes te zien. De meeste soorten zijn rond, maar de platruggen zijn aan de bovenkant afgeplat en de segmenten steken wat opzij uit. In Nederland zijn er zeven ordes, 16 families en 52 soorten.
Miljoenpoten houden van vocht en komen voor onder schors, in dood hout en in de bodem tot wel 50 cm diep. Ze zijn ook te vinden in tuinen, composthopen en onder stenen. Ze eten dood plantmateriaal, paddenstoelen, schimmels, bacteriën en aas. Miljoenpoten zijn vooral in de nacht actief. Ze houden meest van vochtige voedselrijke grond, maar een aantal soorten is te vinden op zand. Bij gevaar gebruiken ze hun klieren om onsmakelijke of giftige stof af te scheiden om aan belagers te ontkomen.
De voortplanting gebeurt soms via indirecte spermaoverdracht, het mannetje maakt een webje met daarin een spernadruppeltje dat een vrouwtje opneemt. Bij een andere brengt het mannetje het sperma bij het vrouwtje in via de kaken. Bij de meeste klimt een mannetje op het vrouwtje en krullen ze om elkaar heen om te paren. Het vrouwtje zet eitjes af in een nestjes van aarde en keuteltjes in de grond. Het eerste stadium dat uit het ei komt heeft vier segmenten met drie paar poten. Bij elke vervelling komen er poten en segmenten bij. Na zeven tot negen vervellingen is een miljoenpoot volwassen. Ze kunnen twee tot elf jaar oud worden.
Miljoenpoten zijn erg belangrijk in de kringloop door hun eetgedrag. Met hun gegraaf in de bodem houden ze deze luchtig en vervullen daarmee ook een belangrijke rol. Ondanks hun afweertechniek zijn ze een gewilde prooi voor (loop)kevers, hooiwagens, kikkers, padden, spitsmuizen, egels en vogels. Sommige vliegen parasiteren miljoenpoten.
Heeft u een miljoenpoot gezien? Meld deze (het liefst met een goede foto) op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
hommelsLEVEN
Over het leven van de aardhommel heeft Anna Kreffer eerder geschreven, zie de nieuwsbrief van de KNNV Den Haag april 2018. Andere hommels leven een soortgelijk leven: de koningin – bevrucht vrouwtje overwintert en gaat in de lente op zoek naar een plek om een nest te maken. Uit de eerste eitjes die zij legt en verzorgt komen de (kleinere) werkster- hommels die de moeder gaan helpen met grootbrengen van nog meer hommeltjes. Lees meer
In park Sorghvliet staan dit jaar (2021) ontelbaar veel sneeuwklokjes, nooit zag ik er zoveel. Wat ik ook nog nooit gezien had: een aardhommel die op sneeuwklokjes foerageert, maar dit jaar was het raak. Ze vloog niet van bloem tot bloem, maar klom er zo’n beetje doorheen, van de ene naar de andere. Dat kan natuurlijk alleen als er zoveel bij elkaar staan. Er stonden ook krokussen, daar zijn hommels vaak op te vinden.
Met het kleinkind naar de speeltuin. De grond daar is bedekt met een dikke laag houtsnippers. De afgeplukte (?) krokus viel daarom meteen op. Een steenhom- mel was er half ingekropen en probeerde daar toch nog nectar uit te halen. Zit er ook nectar in een afgeplukte bloem, waarschijnlijk wel dus, maar de plant kan geen nieuwe nectar meer aanmaken.
De hommel bracht ik naar een veiliger plekje en naar bloemen die nog aan een struik stonden. Onderweg stak zij haar middelpootje op. Dat doen hommels als afweer of zelfbescherming, denken vogels als ze dat zien dat het een stekel is?
Heel blij werd ik van de weidehommel die het gevlekt longkruid bezocht. Wei- dehommels zie ik niet heel veel in mijn tuin en nog nooit zo’n vroege. Als tuin- ambassadeur vertel ik altijd van het nut van “vroege” bloeiers in de tuin. Gevlekt longkruid is een van die fijne tuinsoorten, die het in mijn tuin heel goed doen. Decoratief blad, prachtige bloemen die roze beginnen en later naar blauw verkleuren. Het bloeit ook best lang door, nog even en dan vliegen er andere wilde bijen op: de sachembijen. Deze bijen zijn ook wollig en hebben een lange tong, net vliegende olifantjes. De mannetjes vliegen boven de bloemen heen en weer om indringers te verjagen. Ik hoop ze dit jaar weer te zien!
Heb je een hommel gezien? Meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Hoornaars

In Nederland komen twee soorten hoornaars voor: de Europese en de Aziatische. De laatste is in 2017 voor het eerst gezien in Neder- land. Vanwege wilde verhalen in de kranten over een monsterwesp en het nieuwe advies van EIS en Naturalis stellen we deze maand hoornaars aan jullie voor. De Europese hoornaar, Vespa crabro, de Aziatische hoornaar, Vespa velutina, horen bij de papierwespen of Vespidae, net als onze gewone wesp, Vespa vulgaris (zie voor een beschrijving van de gewone wesp nieuwsbrief januari 2024). Alle papierwespen maken hun nest van gekauwd, plantaardig materiaal, vergelijkbaar met papier. Beide wespen zijn groot. De werksters van de Europese hoornaar zijn 22 – 27 mm, de mannen 24 – 26 mm en een koningin 28 – 35 mm. De Europese heeft een gele tekening op het achterlijf. Kop, borststuk en eerste deel van het achterlijf zijn roodbruin. Aziatische hoornaars blijven een fractie kleiner, kop, borststuk en het eerste deel van het achterlijf zijn zwart. Vergissing is mogelijk met een andere, grotere papierwesp: de middelste wesp, Dolichovespula media, kleiner dan een hoornaar en met meer zwart dan de gewone wesp. Ook de stadsreus, een dikke zweefvlieg, en de hoornaarvlinder worden helaas aangezien voor een hoornaar.
Eigen ervaring
In de duinen zag ik mijn eerste hoornaars en jawel, ik was meteen op mijn hoede. Wat een grote, indrukwekkende wespen! Ze hadden een nest in een liggende, dode boomstam. Maar ze hadden geen belangstelling voor mij en gingen rustig hun eigen gang.Lees meer
HERKENNING
Voorkomen, vliegtijd en gedrag
Ze komen voor in cultuurgebieden: gebouwen, tuinen, parken en bosranden. Vanaf mei zijn de eerste Europese hoornaars te vinden, in de zomermaanden zijn ze het meest actief. Nieuwe koninginnen vliegen nog in september en oktober. De Aziatische hoornaar kan al in maart gezien worden. Hoewel ze horen bij de angeldragers of Aculeata en dus kunnen steken, zijn ze niet agressief!! Een steek doet wel pijn, maar er zit minder gif in dan in de steek van een gewone wesp. Tenzij ze zich bedreigd voelen – als je ze dood wil slaan of denken dat hun nest wordt bedreigd – zullen ze gewoon hun eigen gang gaan. Je kunt ze rustig bekijken hoe ze in en uit hun nest komen of wondvocht uit een boom opzuigen. Ze vliegen overdag en een deel van de nacht, ze komen ook af op het licht van vlinderlampen. Ook aan het eind van het volk, het gaat maar een jaar mee, komen de werkeloze wespen niet op zoetigheid af, zoals de gewone wesp.
Leefwijze
Net als alle papierwespen begint een hoornaarkoningin (bevrucht vrouwtje) in het voorjaar met de nestopbouw. Papierwespen zijn sociale wespen, ze leven in een volk, één wesp is geen wesp. Dit in tegenstelling tot de solitaire wespen, waarvan de vrouwen alleen voor het nageslacht zorgen. De koningin zoekt een geschikte plek. Aziatische hoornaars zoeken het hoog op, de meeste nesten zitten hoog in een boom, maar pas op, ook wel eens in een struik of heg veel lager. Europese hoornaars zoeken vaak een holte: een holle boom of dode oude boomstam, een schuurtje, vogelhuisje e.d. Ze knagen plantaardig materiaal af om daarmee een prachtig nest te bouwen, met zeshoekige broedcellen en een omhulsel. De eitjes worden aan de wand van de broed- cel geplakt, aan de onderkant is de opening. Groeit het nest dan worden er raten gemaakt. Net als bij hommels verzorgt de koningin de eerste larven. Na verpopping worden dat werksters. De werksters helpen daarna bij het vergroten van het nest, voeden van de larven etc. Aan het eind van de zomer ontstaan de mannen en potentiële koninginnen. Bevruchte koninginnen overwinteren, soms binnenshuis. Een nest van de Europese hoornaar bestaat uit een paar honderd tot maximaal 1000 wespen. De Aziatische hoornaar begint met een klein, primair nest op een beschut plekje als een vogelhuisje, onder een afdakje, in een schuurtje. Wanneer dat – kleine – volk volgroeid is, wordt er in de buurt en vaak heel hoog in een boom een secondair nest gebouwd, waar de koningin na een tijdje verhuist. Dit volk kan ook uit- groeien tot 1000 of nog meer dieren, groter dan dat van de Europese hoornaar. Ter vergelijk: een volk van de gewone papierwesp kan uit 7000 wespen bestaan.
Voedsel
Hoornaars jagen op insecten als muggen, vliegen, vlinders, rupsen, bijen, wespen, en ook spinnen. Dit om hun larven te voeden. Aziatische hoornaars jagen ook op honingbijen. Zelf worden ze gevoed door de larven die eiwitten nodig hebben om te groeien en de suikers uitscheiden. Dat wordt opgenomen door de werksters. Deze zoeken ook suikerrijke plantensappen uit rot fruit of bast van vooral eikenbomen, ze knagen ook aan de bast om de sapstroom vrij te laten.
Ecologie
Hoornaars zijn belangrijk als jagers om de populaties van andere insecten in balans te houden. Zelf zijn ze weer voedsel voor de wespendief en ook een heel aantal parasitaire insecten. Nieuw advies over de Aziatische hoornaar Stop de hetze tegen de Aziatische hoornaar! Het heeft geen zin ze te bestrijden, de opmars zal doorzetten, we kunnen beter met ze leren samen te leven. Vanwege de angst die mensen hebben voor de “monsterwesp”, gecombineerd met te weinig kennis, worden te veel onschuldige insecten doodgeslagen. Dat is vele malen schadelijker voor onze insecten dan accepteren dat de Aziatische hoornaar er bij gaat horen. Imkers maken zich zorgen, één nest Aziatische hoornaars kunnen duizenden honingbijen verzamelen, maar een honingbijenvolk is groter en zal niet alle bijen verliezen. Bovendien zijn honingbijen vaak een plaag voor inheemse bijen.
Melden
Heb je een hoornaar of een andere (sluip) wesp gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Dit artikel van Anna Kreffer met foto’s van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van april 2024 van de KNNV afdeling Den Haag.
EIGEN ERVARING Heb je een klein koolwitje gezien? Of een ander witje? Dag- of nachtvlinder? Meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van augustus 2023 van de KNNV afdeling Den Haag.
klein koolwitjeDe winnaar van de Tuinvlindertelling 2023 is geworden: klein koolwitje, tweede plaats is voor atalanta en op de derde plaats staat citroenvlinder. Het gamma-uiltje werd ook veel gezien, maar dat is een (dagactieve) nachtvlinder en stond niet op de tellijst. Lees meer
Elk jaar zie ik kleine koolwitjes vliegen, fladderende zomergroetjes. Voor mij lijken ze veel op het klein geaderd witje, ongeveer even groot, maar als ze even stil zitten, zie ik het wel, de aders op de onderkant van de vleugels zijn verschillend. Bij geaderd witje zijn deze grijsgroen, bij klein koolwitje is de onderkant van de vleugels gelig. Pas geleden zag ik een stelletje in de tuin bezig met de noodzakelijke voorbereidingen voor een nieuwe generatie. Een mooie aanleiding om eens deze, gelukkig nog algemene soort, te beschrijven. Klein koolwitje, Pieris rapae, is een dagvlinder uit de familie Witjes (Pieridae), waartoe ook de citroenvlinder behoort.
Vlinder: de spanwijdte is 45 – 55 mm. De witte vleugels hebben een zwarte vlek op de bovenkant van de voorvleugelrand. Er zijn twee zwarte vlekken in het midden van de voorvleugel, bij de vrouwen zijn deze groter en zwarter dan bij de mannen. Er zijn verschillende generaties in één jaar en deze verschillen wat van elkaar in vleugeltekening. Vrouwen en mannen zien er voor ons hetzelfde uit, maar de vlinders zelf hebben daar geen moeite mee. Ze maken gebruik van ultraviolet licht, dat voor ons mensen niet zichtbaar is. De mannenvleugels absorberen dat licht, hun vleugels kleuren donker, vrouwenvleugels kaatsen het licht juist terug, de vleugels blijven licht.
Rups: grootte tot 25 mm, de kleur van lijf en kop is lichtgroen. Het lichaam is bedekt met fijne korte haartjes, fijn zwart gestippeld en met een gele lengtestreep over de rug. Er loopt ook een lijn van gele vlekjes langs de zwartgerande spiracula (ademopeningen).
VOORKOMEN
Klein koolwitjes zijn te vinden in tuinen, parken, houtwallen, bloemrijk grasland en bos- en akkerranden. Ze vliegen van mei tot en met oktober/november in 3 tot 4 generaties per jaar. Kleine koolwitjes komen overal voor waar ook hun waardplanten te vinden zijn, daar leggen ze de eitjes op en rupsen eten ervan. Waardplanten zijn kruisbloemigen (koolsoorten), distels, paardenbloem, lavendel, spoorbloem, vlinderstruik, reseda, meldes en meer. Ze kunnen grote afstanden afleggen en vliegen soms ook in groepen.
LEVEN
De vlinders drinken veel nectar, in Neder- land zijn er 130 soorten planten bekend die bezocht worden, de kruisbloemigen maar ook vlinderstruik, akkerdistel etc. Bij het paren geeft het mannetje, behalve sperma, voedingsstoffen aan het vrouwtje. Deze worden gebruikt voor de ontwikkeling van de eitjes. Als een vrouwtje meerdere partners heeft zet ze iets meer en iets grotere eitjes af, tot zo’n 50 per dag. Een vrouwtje kan ver zwerven om een geschikte waardplant te vinden. Er is een voorkeur voor planten op beschutte maar zonnige plaatsen bij een bosrand of haag. Ze zet één of hooguit een klein groepje eitjes af per plant op de onder- of bovenkant van het blad of stengel van de plant. De rupsen leven daardoor vaak solitair. De eerste generatie vliegt tot eind juni. De tweede en de derde generatie overlappen elkaar en vliegen van eind juni tot in oktober. Soms is er zelfs nog een vierde generatie van september tot november. De vlinder overwintert als pop, ook regelmatig aan niet natuurlijke materialen zoals muren, hekken, tuinmeubels e.d.
De rupsen zitten vaak precies op een nerf van een blad en zijn daardoor niet zo makkelijk te zien.
ECOLOGIE
De vleugelschubben van witjes bevatten pterine, dat smaakt vies. Witjes worden daarom niet graag gegeten door vogels. Er zijn wel sluipwespen die op de eitjes en rupsen parasiteren.
MELDEN
kolibrievlinder en glasvleugelpijlstaart

Pas geleden kreeg ik een leuke mail van één van de leden van de KNNV in Leidschendam: “vanmiddag rond kwart voor vier vloog er een kolibrievlinder op de vlinderstruik van de overbuurvrouw. Ik weet niet of dat zo bijzonder is, maar ik heb bij mijn weten nog nooit een kolibrievlinder in Nederland gezien”.
Kolibrievlinders worden nu vaker gezien in ons land, maar een belevenis blijft het. Net als de vogel met dezelfde naam, hangt de vlinder stil voor een bloem om daar met de lange tong nectar uit te zuigen. De kolibrievlinder lijkt wat betreft uiterlijk en gedrag veel op de glasvleugelpijlstaart. Daarom zijn zij beide de beestjes van de maand. Lees meer
VERSCHILLEN De glasvleugelpijlstaart is vooral een vlindervan de duinen, maar ook open bossen en heide. De kolibrievlinder is een trekvlinder, zij komt uit het zuiden, vliegt in veel meer gebieden en komt ook in tuinen. De kolibrievlinder hangt vrij voor een bloem, zuigt even en vliegt snel weer een eind verder. De glasvleugelpijlstaart raakt vaak wel de bloem aan met de voorpoten bij het zuigen, blijft ook wat langer hangen en zoekt daarna vaker een bloem in de buurt. De kolibrievlinder (Macroglossum stellatarum) is 20 tot 24 mm groot, de bovenkant van de voorvleugel, de kop, borststuk en het achterlijf zijn bruin met een grijsachtige tint. In de vlucht zie je de oranje kleur van de achtervleugels. Dit artikel van Anna Kreffer met foto’s van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van augustus 2022 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.
OVEREENKOMSTEN
Beide vlinders komen uit de familie van de pijlstaarten (Sphingidae ), nachtvlinders waarvan de rupsen een stekel of pijl aan het achterlijf hebben. Beide vlinders vliegen, anders dan de meeste nachtvlinders, overdag. Ze horen ook allebei bij de onderfamilie Macroglossinae-pijlstaartsoorten en zijn voorzien van een heel lange roltong. Overdag en bij schemering, soms ook ’s nachts, hangen ze voor buisvormige bloemen, zoals van slangenkruid, kamperfoelie, echte koekoeksbloem, ijzerhard, spoorbloem en de vlinderstruik, om nectar te zuigen.
HERKENNING
De kolibrievlinder (Macroglossum stellatarum) is 20 tot 24 mm groot, de bovenkant van de voorvleugel, de kop, borststuk en het achterlijf zijn bruin met een grijsachtige tint. In de vlucht zie je de oranje kleur van de achtervleugels.
De glasvleugelpijlstaart (Hemaris fuciformis) is even groot, 20 tot 24 mm, de randen van de voor- en achtervleugels hebben een roodbruine rand, de voorvleugel heeft een duidelijke, dwarse, bruine ader. Het achterlijf is bont gekleurd met twee witte vlekken aan de zijkant en een roodbruine band. De vlinders verliezen bij hun eerste vlucht al de schubjesvan de vleugels, zodat ze doorschijnend worden.
VLIEGTIJD
De kolibrievlinder vliegt van februari tot november en worden het meest gezien in augustus en september. Ze vliegen bij zonnig weer, maar ook wel bij bewolking. Zij kan in een zachte winter hier als vlinder overwinteren.
De Glasvleugelpijlstaart vliegt van eind april tot eind augustus in twee generaties, zij vliegt ook graag bij zonnig weer, vooral eind van de ochtend en vroege middag.
RUPSEN
Kolibrievlinder: de rupsen leven op walstrosoorten, kleefkruid en meekrap. Zij zijn te vinden van mei tot oktober. De rupsen zijn groen en hebben een geelwitte lijn net onder de zwarte ademopeningen en een twee witte lijn loopt hoger en eindigt in de pijl.
Glasvleugelpijlstaart: de rupsen leven op kamperfoelie en sneeuwbes en zijn te vinden in juni en augustus. Deze rupsen zijn ook groen met witgele spikkeltjes, oudere rupsen hebben oranjewit omringde ademopeningen en een paarsrode buik. De glasvleugelpijlstaart overwintert als pop in de grond.
ECOLOGIE
De vlinders worden genoemd als goede bestuivers, maar aangezien ze niet op de bloemen landen, vraag ik me af hoe dat dan gaat bij deze soorten, daarover heb ik nog niets gevonden. De rupsen zijn natuurlijk, als alle rupsen, goede beheerders van het “groen” en dienen ook als voedsel of gastheer/vrouw voor tal soorten zoals vogels en sluipwespen.
Melden
Heb je een kolibrievlinder of glasvleugelpijlstaart gezien? Meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
landplatwormen (Geoplanidae)

Platwormen waren voor mij onbekend, maar een van de deelnemers van onze studiereis insecten, Sytske de Waart, is een specialiste in deze bijzondere dieren en gaf een boeiende presentatie. Het zijn zulke vreemde organismen, dat verzin je gewoon niet. We hebben in die week gezocht naar platwormen, onder hout en steen, maar pas aan het eind op de laatste dag vonden we er één. Makkelijk tegenkomen is er dus niet bij….. Lees meer
Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van oktober 2022 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.
HERKENNING
De landplatworm zijn niet heel plat, maar eerder rond, ze zien er glad en glibberig uit. Ze hebben geen segmenten, zoals regenwormen. De twee inheemse soorten – de donkere en de tweelijnige landplatworm – zijn klein, 1 tot 3,5 cm en niet heel opvallend met hun grijze, bruinige of zwarte lijfjes. Uitheemse landplatwormen zijn als volwassen exemplaren vaak langer dan 10 cm, en hebben meestal uitbundiger kleuren, opvallende rugstrepen en soms een opvallende spatelvormige kop. Ze bewegen sloom over zelf uitgescheiden slijm met behulp van trilharen. Landplatwormen die op planten of voorwerpen klimmen, kunnen zichzelf naar de grond laten zakken via een slijmdraad.
LEEFGEBIED
Landplatwormen zijn lichtschuw en hebben een hoge luchtvochtigheid nodig. Ze zijn daarom te vinden op donkere, koele, vochtige plaatsen. Oevers van meren, kanalen en sloten, onder stenen, planken, omgevallen boomstammen, rottend hout en -blad, houtblokken, puin, struiken en zelfs stukken plastic. Landplatwormen komen ook voor in holtes en grotten. Op akkers zijn ze zeldzaam. In tuinen zitten ze vaak onder bloempotten en stukken plastic, onder houten- of stenen tuinschuttingen, in de composthoop of bij voerbakken van huisdieren. Na hevige regenval komt het voor dat ze tegen de huismuur opklimmen of zelfs hun heil binnenshuis zoeken in koele, vochtige ruimtes als badkamers en toiletten. Het zijn nachtdieren: ze verplaatsen en voeden zich ’s nachts. De lente en herfst is de meest geschikte tijd om ze te vinden.
Voedsel
Landplatwormen zijn carnivoor. Ze voeden zich met kleine slakken en andere bodemdieren zoals regenwormen en insecten(larven). Zelfs kannibalisme komt voor. Prooien worden opgespoord met chemoreceptoren in de kop. De mond en tegelijk anus, farynx, bevindt zich onderaan het lichaam. Een prooi wordt omstrengeld en omgeven door slijmerige excretie met verteringsenzymen, zodat het geheel opgenomen kan worden. Het verteringskanaal begint met een ruimte net achter de gespierde mond (farynx), die uitgestulpt kan worden om voedsel te omsluiten en op te nemen. De voedingsdeeltjes verspreiden zich in het uitgebreide darmstelsel en worden door middel van fagocytose door de lichaamscellen opgenomen. Onverteerbare voedseldeeltjes verlaten het lichaam door de mond. Platwormen kunnen tot een jaar overleven zonder te eten. In tijden van schaarste kunnen ze hun eigen weefsel resorberen, opeten.
Voortplanting
Platwormen zijn hermafrodiet, ze bezitten zowel mannelijke als vrouwelijk geslachtsorganen. Alle soorten planten zich geslachtelijk voort door middel van inwendige bevruchting. De bevruchte eicellen worden in een cocon worden afgezet. Platwormen staan bekend om hun regeneratievermogen. Bij sommige soorten vindt ongeslachtelijke reproductie plaats door deling van het lichaam, waarna de ontbrekende delen weer aangroeien. Je kan ze overlangs in tweeën snijden, beide helften groeien weer uit tot een nieuw dier. Bij dwars doorsnijden, vormt het kopgedeelte een nieuw achterlijf en het achterlijf een nieuwe kop. Gedeeltelijke insnijdingen geven meerkoppige of meerstaartige dieren.
ECOLOGIE
Landplatwormen worden niet gegeten, het slijm dat ze uitscheiden smaakt vies of is zelfs giftig. Waarschijnlijk zijn de inheemse soorten in harmonie met de omgeving. De uitheemse soorten kunnen wel een bedreiging vormen, omdat ze groter zijn en meer eten, kunnen ze een negatieve invloed hebben op het bodemleven en de bodem zelf. Regenwormen houden de grond luchtig en als die gedecimeerd worden heeft het zeker invloed.
VERZAMELEN
Onderzoek is dus belangrijk. Landplatwormen verzamelen kan door de worm met behulp van een blaadje, takje of een penseel in een goed afgesloten bakje te doen met daarin wat vochtig papier en blaadjes. Ze kunnen lange tijd zonder eten maar zijn slecht bestand tegen droogte en warmte en houden niet van licht (een koele, donkere plek is goed maar niet in de koelkast, dat is te koud). Probeer goede foto’s te maken van de levende dieren. Er is een zoekkaart: kijk bij EIS en landplatwormen.
MELDEN
Heb je een landplatworm gevonden?
Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
lieveheersbeestjes …. niet zo lief
Tekst en foto’s: Hans van Helden
HERKENNING LEEFWIJZE KANNIBALISME VOORTPLANTING Dit artikel van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van januari 2023 van de KNNV afdeling Den Haag. HERKENNING LEVENSCYCLUS VOEDSEL ECOLOGIE BESTRIJDING Heeft u luizen gezien? Maak een foto en meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder op Het insect van de maand van de KNNV, daar kunt u eventueel ook reageren.
De meeste soorten zijn fel rood, geel of zwart. De grootte varieert van 1 mm tot ca 8 mm. Veel soorten zijn goed in het veld of op een foto herkenbaar, maar de kleine zwarte soorten zijn moeilijker op naam te brengen.
Lees meer
Lieveheersbeestjes hebben een generatie per jaar, het Aziatisch lieveheersbeestje heeft twee generaties, bij gunstige omstandigheden zelfs drie. De volwassen dieren overwinteren, zij zoeken een beschut plekje voor de winter. Het Aziatisch lieveheersbeestje doet dat in groepen, en als het kan binnenshuis.
VOEDSEL
De meeste larven van Lieveheersbeestjes zijn carnivoor, het aantal soorten dat van meeldauw of plantensappen leeft is op een hand te tellen. De rest, zo vermeldt de info, leeft vooral van blad- of wolluis en enkele soorten zelfs schildluis. Ook de volwassen dieren lusten wel luisjes. Volwassen insekten groeien niet meer, en hebben voor zichzelf geen eiwit nodig.
Mijn foto’s vertellen nog een ander verhaal: de larven beperken zich niet tot luizen, maar laten soortgenoten, neven en nichten zich goed smaken. Van het Aziatisch lieveheersbeestje is bekend dat het zich schuldig maakt kannibalisme. Maar het plaatje van de larve van schaakbordlieveheersbeestje laat zien dat het ook voorkomt bij de andere soorten. Waarschijnlijk pakken de larven gewoon wat zij kunnen pakken. De trage larven van soortgenoten en poppen worden zo prooi. Misschien zijn lieveheersbeestjes toch niet geschikt als symbool van vreedzaamheid.
Na de paring leggen de lieveheersbeestjes eitjes onder een blad of aan de onderzijde van takken, in de buurt van plekken waar bladluizen zitten. Na vier tot tien dagen kruipen larfjes uit de eitjes. Zij beginnen meteen met vreten. De larve ontwikkelen zich in ongeveer drie weken. Zij ondergaan drie vervellingen voordat zij verpoppen. Na ruim een week kruipt een volwassen dier de wereld in. Dit proces is afhankelijk van de temperatuur, bij hoge temperaturen ontwikkelen de diertjes sneller.
MELDEN
Heb je een lieveheersbeetje gezien?
Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
de luisEIGEN ERVARING
Als tuinliefhebber had ik met de paplepel meegekregen dat luizen zo ongeveer onze ergste vijanden in de tuin zijn, maar ik dacht dat dat wel meeviel. Tot ik tuinbonen ging kweken. Na voorspoedig opgroeien kwamen de zwarte luizen op de topjes zitten en wat ging het daarna hard. Eigenlijk wel bijzonder dat luizen zich onder goede omstandigheden zo snel vermeerderen. Na van alles te hebben geprobeerd om ervan af te komen, leef ik er nu mee samen. Als je wat beter kijkt zie heel veel andere dieren in de buurt, een mini-dierentuin. Lees meer
Luizen behoren met wantsen en cicaden tot de hemiptera, snavelinsecten. Deze hebben alle een steeksnuit waarmee ze plantensappen of andere beestjes kunnen zuigen. Hier gaat het verder over plantenluizen en nader bepaald de bladluizen. Daarvan zijn in Nederland ruim 400 soorten. Het zijn kleine dieren van 1 tot 5 mm. Ze kunnen vleugels hebben maar zijn heel vaak vleugelloos en het zijn bijna altijd vrouwtjes. Ze komen voor in allerlei kleuren, groen, wit, zwart, geel, rood en paars, egaal of met stipjes. Ze hebben een zacht, peervormig lijfje, lange antennen en op het achterlijf twee buisvormige organen, waaruit een vloeistof, honingdauw, kan worden afgescheiden.
Zo goed als alle soorten leven op planten en veel soorten hebben twee soorten waardplanten, een waar ze overwinteren, vaak een houtig gewas en een lekker sappige voor de andere seizoenen. Ze hebben een bijzondere levenscyclus. De bladluizen overwinteren als ei. Daar komen vrouwtjes uit die levendbarend zijn. Deze kunnen zowel gevleugelde als ongevleugelde luisjes voortbrengen. Als de omstandigheden niet zo gunstig zijn, dan zijn ze met vleugels. Gevleugelde vrouwtjes kunnen uitvliegen op zoek naar een geschikte waardplant en daar weer levendbarende generaties voortbrengen. Dat kunnen wel 15 tot 20 generaties zijn! De jonge luisjes zijn binnen de kortste keren zelf volwassen en gaan dan ook weer luizen baren. In de herfst ontstaan gevleugelde vrouwtjes die naar de winterwaardplant vertrekken en daar een mannelijke en een vrouwelijke generatie baren. Deze vrouwen hebben geen vleugels, de mannen soms wel. De vrouwtjes paren en leggen eitjes die zullen overwinteren.
Bladluizen voeden zich met het sap van planten. Omdat jonge delen van een plant zachter zijn en meer sapstroom hebben zitten ze vaak op de toppen, ook vaak aan de onderkant van bladeren. Ze prikken met hun snuit in de planten en zuigen sappen op of eigenlijk stroomt dat gewoon naar binnen in de luis vanwege de druk op de sapstroom van de plant. Als het een gunstige plek is hoeft de luis maar een keer te prikken en kan daar dan blijven zitten. In het plantensap zitten de bouwstoffen die ze nodig hebben, maar vaak een overmaat aan suikers. Die komen er aan de achterkant door de buisjes weer uit. Met het steken kunnen ook plantvirussen worden overgebracht. Als er veel luizen zijn kan een plant minder goed groeien, ook komt bladvervorming voor. Als de bladeren kleverig worden van de honingdauw, daar kan dan weer schimmel op groeien, zoals de zwarte roetdauw.
De honingdauw is geliefd voedsel voor wespen, bijen en mieren. Mieren gaan zelfs zo ver dat ze de luizen verdedigen tegen belagers, ze wegbrengen naar nieuwe gunstige plantdelen en soms zelfs vleugels afbijten om ze op de plant te houden. Luizen worden graag gegeten door vogels, vooral door merels, mezen en andere kleine soorten en tal van insecten en / of hun larven: lieveheersbeestjes, gaasvliegen, kevers, oorwormen, zweefvliegen, wantsen en roofvliegen. Ook kennen ze een aantal parasieten die hun eitje in een luis leggen. Als verdediging kunnen ze een vieze wasachtige stof afscheiden.
Een mooi verhaal van een biologische rozenkweker: hij ziet graag luizen op zijn rozen! Rond het perceel waar hij rozen kweekt staat een variatie aan kruiden en struiken. Deze huisvesten de dieren die graag luizen eten, lieveheersbeestjes en gaasvliegen bijvoorbeeld. Deze leggen hun eitjes bij de luizen, hun larven gaan op luizenjacht maar als ze nog klein zijn eten ze ook trips en witte vlieg. Ook deze diertjes belagen de rozen, maar met gangbare bestrijding bereik je deze niet omdat ze aan onderkant van het blad zitten.
Zorg voor variatie in de tuin, zie ook het verhaal van de rozenkweker. Of zet naast planten waar luizen graag op zitten soorten die sterk geuren. Bladluizen houden niet van bijvoorbeeld lavendel, bonenkruid, dille, salie, hysop, uien en knoflook. Oost-Indische kers trekt juist bladluizen aan, deze gaan dan hopelijk niet op de rozen zitten. Afspoelen met water kan ook. Andere middelen zijn vaak niet alleen schadelijk voor luizen en doen uiteindelijk meer kwaad dan goed.
mieren
Zodra de lente begint en de grond weer opwarmt komen de mieren in beeld. Ze kruipen uit spleten en gaan meteen op zoek naar zoete lekkernijen.Zorgeloos op het gazon liggen tijdens een warme zomerdag is zalig, tenzij er een mierennest in de buurt is. Lees meer
Mieren kom je overal ter wereld tegen, ze vormen een zeer grote diergroep waarvan er al 12000 soorten gekend zijn. Ze behoren tot de orde van vliesvleugeligen en stammen af van gravende wespensoorten, dit is merkbaar aan hun bouw. Het lichaam is verdeeld in 3 delen en ze bezitten 3 paar poten. Het zijn kleine maar ijverige tuindieren met 2 ogen, 2 sterke kaken en ze ruiken en voelen prima met hun voelsprieten, een onmisbaar zintuig. INTELLIGENTE NESTBOUWERS Ooit al een zwerm vliegende mieren gezien? Dat zijn mannetjesmieren uit verschillende nesten op zoek naar een vrouwtje om te bevruchten. Na deze ‘bruidsvlucht’ gaat een bevrucht vrouwtje al vliegend op zoek naar een nieuwe nestelplaats waar de andere mieren haar slaven zullen worden en zij koningin, zo vormen deze sociale insecten een nieuwe kolonie. Een mierennest kom je op alle mogelijke plaatsen tegen, onder de grond, in holle bomen, tussen terrastegels of asfalt en zelfs in bloembakken, deze plekken warmen snel op door zonnestralen en daar houden mieren van. In de leefgemeenschap van een mierennest zijn alle taken strikt verdeeld onder de mieren. Eén groep mieren zoekt boven de grond naar voedsel en een andere groep blijft in het nest bij de mierenkoningin om de eieren te verzorgen. Wanneer de mieren vanuit het nest vertrekken op zoek naar voedsel, laten ze een geurspoor van feromonen achter om de weg naar het nest vlot terug te vinden. Mieren zijn voortdurend in beweging. Zo ijverig als een mier, is dan ook een zeer passende uitdrukking die zoveel wil zeggen als: heel hard werken. MIERENBROODJE Sommige planten bezitten een aanhangsel aan hun zaden of vruchten, waar de mieren verzot op zijn. Dit uitgroeisel heet mierenbroodje of elaiosoom en is een geniale manier van de plant om zijn zaden verder te verspreiden dan hij zelf kan. Dit mierenbroodje bevat olie en is rijk aan koolhydraten. De mieren nemen het zaad mee naar hun nest maar onderweg verliezen ze soms al het zaad, dan brengen ze enkel het mierenbroodje mee hun nest binnen en geven het aan de mierenlarven. Wanneer het zaad samen met het mierenbroodje binnengebracht wordt, verwijderen ze het zaad later uit hun nest. Enkele planten die een mierenbroodje aan hun zaden of vruchten hebben: MIERENETEN Op het menu van mieren staan zoete lekkernijen. Ze grijpen elke kans om mierzoete etenswaren naar hun nest te brengen en dan vinden wij een mierenspoor, van op onze keukenkast tot aan de buitendeur. Ook in de natuur vinden ze hun favoriete voedselbronnen. Zo leven sommige mieren in symbiose met bladluizen omwille van het fel begeerde honingdauw, een vier-sterrenmaaltijd voor mieren. Zij beschermen de bladluis tegen vijanden zoals de lieveheersbeestjes en zuigen de nectarachtige vloeistof op die wordt afgescheiden door de blad- of schildluizen. Deze laatste zuigen sap uit de planten en geven het teveel aan suikers in vloeibare vorm af aan de hongerige mieren. Sommige mieren nemen bladluizen in dienst en nemen ze mee naar het nest, daar gaan ze aan de slag als zeer loyaal personeelslid. Mieren beschermen bladluizen tegen vijanden en krijgen een zoete honingdauw als beloning. BESTRIJDEN Mieren volledig verbannen uit je tuin is onmogelijk en ook onnodig omdat mieren ook nuttige tuindieren zijn die afval en plantenresten opruimen. Mieren houden van tuinen maar niet van alle planten die er in staan; ze hebben een grote afkeer van sommige geuren en aroma’s. Zet volgende planten op plaatsen die je absoluut miervrij wenst te houden of strooi hun bladeren bij het nest om ze te verdrijven: Allemaal sterk geurende planten die de mieren op een afstand houden. Er bestaan ook gifvrije bestrijdingsmiddelen op basis van ui of knoflook, ze brengen de mieren in verstrooiing waardoor ze hun weg van het nest naar het voedsel niet meer terug vinden en verdwalen. De mieren in het nest krijgen geen voedsel meer en uiteindelijk sterft het mierennest uit. Je kunt ook zelf een aftreksel maken van uien- of knoflooksap en dit over het nest gieten. Of strooi knoflookpoeder, gebroken eierschalen, kruidnagel of rode peper bij het nest. Volgende methode is wel milieuvriendelijk: vul bloempotten met grond en zet ze omgekeerd bovenop een nest. Binnen 14 dagen hebben de mieren hierin hun nest gemaakt en dus ook hun eitjes gelegd. Neem de potten weg en gooi ze leeg in het kippenhok, die zullen je zeer dankbaar zijn.
de zwarte wegmier
Ik weet niet meer hoe dit is afgelopen, alleen mijn verbazing en verwondering zijn mij bijgebleven. HERKENNING VOORKOMEN LEVEN SAMENLEVEN EN BEDREIGINGEN Heeft u (zwarte weg)mieren gezien? Maak een foto en meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder op Het insect van de maand van de KNNV, daar kunt u eventueel ook reageren. EIGEN ERVARING
Het is zomer en in de middag had ik siroop geknoeid op een tafeltje naast mijn bed. Ik zal zeven of acht jaar zijn geweest, mijn slaapkamer bevond zich driehoog achter (echt waar). Het raam stond nog open, het tafeltje stond ook vlakbij het open raam. Ik werd wakker en zag een stroom van mieren, rijen dik, af en aan lopen naar de siroopknoeiplek. Met vele honderden, door het open raam, langs de muur, naar de tuin van de buurvrouw, drie verdiepingen lager. Lees meer
De zwarte wegmier (Lasius niger) is een heel veel voorkomende mier, die in de zomer ook huizen intrekt op zoek naar voedsel. Mieren behoren met bijen en wespen tot de vliesvleugeligen. Vanwege hun ondergrondse leefwijze zijn de vleugels lastig en dus afwezig, behalve bij de zogenaamde bruidsvluchten. Wegmieren behoren tot de schubmieren, tussen het achterlijf en het borststuk zit een schubachtig lichaamsdeel. De groep schubmieren waar de wegmier toe behoort, hebben een relatief brede kop, breed borststuk en korte poten. Voor andere kenmerken is een determinatietabel en een microscoop nodig, dat laat ik hier verder buiten beschouwing. De zwarte wegmier en de humusmier lijken heel veel op elkaar, maar humusmieren leven in (dood) plantaardig materiaal, zoals compost, terwijl wegmieren hun nest meest in zand maken.
De zwarte wegmier (ook wel tuinmier) is de meest algemene mier in Nederland. Overal waar mensen de grond bewerken komen ze voor: tuinen, straten, paden, sportvelden, parken, daken, begraafplaatsen, werkelijk overal zijn ze te vinden. Van oorsprong is de zwarte wegmier een pioniersoort. Ze komen voor in gebieden waar de bodem van nature in beweging is, zoals stuifzanden. De wegmier is de enige soort mier in ons land die er niet echt om lijkt te geven als het nest verstoord wordt. In de voedselarme pionier-omstandigheden zijn ze opportunistisch, ze eten alles wat eetbaat is. Verkenner-mieren zijn de hele dag op pad om nieuwe voedselbronnen te ontdekken. De plek die het meest oplevert, wordt daarna massaal bezocht, vuilnisbak, composthoop, luizen op de rozen, voorraadkastjes…en dus ook geknoeide siroop ergens bovenin een huis.Een kolonie kan bestaan uit een paar honderd mieren, afhankelijk van de ruimte voor het nest, maar het kunnen er in gunstige omstandigheden ook duizenden zijn.
Mieren zijn sociale dieren, één mier is geen mier, deze kan niet bestaan, ze maken deel uit van een volk. De koningin is de grootste mier, zij houdt het volk in stand. Zij zorgt voor nieuwe generaties en groei van haar kolonie. Een geslachtsrijp vrouwtje (prinses) vliegt bij een goede temperatuur uit op bruidsvlucht. Bij de zwarte wegmier is dat vaak in juli of augustus. In die tijd zijn er ook mannen met vleugels, die vliegen mee, maar zijn veel kleiner. Ze maken kennis in de lucht, paren gebeurd meest op de grond. Mieren maken gebruik van geurstoffen om elkaar te herkennen. Na het paren is de prinses een koningin en werpt of bijt ze haar vleugels af. De mannen sterven al snel, met een beetje geluk na het paren. Eenmaal bevrucht is de koningin op zoek naar een nest om over te nemen of start ze een nieuwe kolonie. Bij het overnemen wordt de oude koningin door gemaakt. Soms nemen meerdere koninginnen een nest over, maar uiteindelijk blijft er maar een over. Zij heeft voldoende zaadcellen verzameld voor de rest van haar leven. Deze worden opgeslagen in een zaadkamertje waarvan ze het ‘deurtje’ open of dicht kan doen. De eerste eitjes verzorgt een koningin zelf of als ze in een ander nest komt helpen anderen haar. Als er werksters genoeg zijn ( kleine vrouwelijke mieren) legt zich toe op alleen maar eieren leggen, van de lente tot de herfst, ondertussen wordt ze gevoed door de werksters. Jonge werksters helpen met voeden en verzorgen van de larven, oudere mieren mogen op pad om voedsel te verzamelen. Verkenners zoeken voedselbronnen en als die gevonden zijn worden heel veel mieren naar die plek gestuurd.
Er zijn ook mieren die als taak hebben het nest te verdedigen tegen indringers en andere mieren.
Als de juiste tijd gekomen is in de zomer legt de koningin onbevruchte eitjes, daaruit zullen de mannen komen. Sommige larven krijgen extra voedsel dat worden de nieuwe prinsessen, de mannen blijven veel kleiner dan de prinsessen. Mannen en prinsessen hebben ook vleugels. Enkele dagen voor het uitvliegen worden de poppen al aan de oppervlakte van het nest gebracht.
Tussen de stoeptegels zie je dat vaak aanextra zand hoopjes. Op warme avond komen de poppen allemaal tegelijk uit, velen vliegen de lucht in, daar ontstaan de nieuwe koninginnen.
Mieren overwinteren in het nest, ze gaan niet dood. Werksters kunnen drie jaar worden, koninginnen wel tien jaar of meer.
De grootste concurrenten rond het huis zijn de andere mieren als de gele weidemier. Diertjes die je ook kan tegenkomen in wegmiernesten zijn de mierpissebed (blind en wit) en de mierenspringstaart (ook blind en wit).De mieren worden graag gegeten door spechten en padden.In de tijd van de bruidsvluchten hangen er nog vele andere vogels in de lucht om ze op te vangen, zoals zwaluwen en zelfs meeuwen. Mieren zijn vaak te vinden in de buurt van luizen. Ze zijn dol op de zoetestof die luizen afscheiden. Mieren verdedigen de luizen tegen predators als gaasvlieg larven en lieveheersbeestjes en hun larven. Vleugelloze luizen worden ook wel naar een betere plek op de plant of boom gebracht door de mieren.
de mol
EIGEN ERVARING HERKENNING HET STERKE GESLACHT VOORKOMEN LEEFWIJZE VOEDSEL ECOLOGIE EN BESTRIJDING MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van februari 2022 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.Deze keer geen klein beestje maar eentje die ze juist graag eet! Dit omdat in het weekend van 19 en 20 februari weer een nationale mollentelling wordt gehouden. Ze nu al flink actief gezien het aantal molshopen. Deze zijn vooral van de mannen op zoek naar een leuke vrouw om het voortbestaan van de soort zeker te stellen. Lees meer
In mijn jeugd gingen we elke zomer naar Overijsssel om op opa en de hond te passen. Mijn oom en tante waren onderwijzer en beheerden een kleine school met twee lokalen voor zes klassen en een groot sportveld met mollen. Op een dag was de hond als een razende van molshoop naar molshoop aan het rennen, voor ik er erg in had had hij een mol te pakken. Helaas heeft het dier het niet overleefd, heel jammer. Het was mijn eerste ontmoeting met een mol. Wat een mooi dier met dat zwartfluwelen jasje en de enorme roze “handen” en roze snuit. Misschien was de hond erop afgericht, geen idee, nooit naar gevraagd. Daarna nog eenmaal een dode mol gezien en sporadisch een bewegende molshoop, helaas nog geen levende.
De mol (Talpa europaea) is een zoogdier en hoort met o.a. egels en spitsmuizen bij de orde van insecteneters. Mollen zijn 11-16 cm lang, de staart is 2,5-4 cm, de vrouwen zijn iets kleiner dan de mannen. Ze hebben een zwarte, fluweelachtige vacht, de haren daarvan kunnen kantelen, zo blijven ze niet steken in de gangwanden of ze nu voor of achteruit gaan.
Mollen hebben voorpoten met grote graaf- handen, elk met vier vingers en een duim met puntige nagels. De ogen en oren van mollen zitten verstopt onder de vacht.
Mollen hebben kleine, slecht ontwikkelde ogen, maar zijn niet blind. Ze hebben een spitse, roze snuit met gevoelige snorharen en tastzenuwen op neus en staart, daarmee vindt de mol de weg door de gangenstel- sels. De nek is niet te zien doordat die zo gespierd is.
Bij gewone zoogdieren zijn mannen sterker, groter en agressiever dan vrouwen, vanwege de testikelweefsel dat o.a. testosteron produceert. Mollenvrouwen hebben door een genetische aanpassing zowel testikelweefsel als eierstokkenweefsel. Door de testosteron kunnen ook mollenvrouwen sterke graafpoten en een sterk lijf ontwikkelen (en zijn ook agressief).
Alleen in de paartijd neemt het testikelweefsel af en het eierstokkenweefsel toe. Deze eigenschap is niet helemaal uniek, hyenavrouwen hebben iets dergelijks, ze zijn zelfs groter dan de mannen. En soms is er speling van de natuur, ook bij mensen komt het wel eens voor.
Mollen hebben graag losse, humusrijke grond en een niet te hoge grondwaterstand. Ze komen in ons hele land voor, maar niet op de waddeneilanden en in de centra van grote steden. De grootte van het territorium hangt af van de hoeveelheid voedsel en kan tot 3000 m² groot zijn. De populatiedichtheid varieert. Ze houden niet zo van zandgrond, daar zijn de territoria groter en de dichtheden lager.
Mollen zijn te vinden in grasland, tuinen, bosranden, parken en boomgaarden. Ze leven ook in loofbos, maar de molshopen zijn daar minder zichtbaar door de bladeren.
Mollen maken horizontale gangen, tot een diepte van 1 meter onder de grond. De mol kan uitstekend graven, de oppervlakkige gangen graaft hij met een snelheid van 12-15 meter per uur. Tijdens het graven wordt de aarde langszij naar achteren gewerkt en vervolgens naar buiten geduwd, te zien als molshoop. De gangen zijn onge- veer 5 cm breed en tot wel 200 meter lang. Soms zijn de gangen heel oppervlakkig en zie je deze aan het oppervlak, dit zijn vaak gangen van jonge dieren of mannen op zoek naar een vrouw. Mollen leven alleen in een eigen territorium, soms overlappen territoria. Ze maken slaapnesten bekleed met blad, gras, mos, papier, als het maar zacht materiaal is.
In de paartijd, februari-april, gaan mannen op zoek naar vrouwen. Na de paring zorgt het vrouwtje er verder alleen voor. In een diepe gang wordt een nest gemaakt en in mei-juni worden twee tot zeven naakte, blinde jongen geboren. Na twee weken hebben ze een vacht, na een maand ver- laten ze het nest, maar worden nog een tijdje gezoogd. Na twee maanden zijn zij zelfstandig, verlaten definitief het nest en graven loodrecht naar boven om een eigen territorium te zoeken. Dit zoeken naar een nieuw territorium gebeurt meest boven de grond en maakt de mol kwetsbaar. Er wordt ook wel gevochten om een territorium. Na een jaar zijn ze geslachtsrijp. Mollen kunnen drie jaar oud worden, maar slechts 40% overleeft het eerste levensjaar en ongeveer 2% van de dieren haalt die leeftijd.
Ze hebben een apart ritme van ongeveer vier uur activiteit en vier uur rust, dat gaat dag en nacht door, ze zijn dus zowel overdag en in de nacht actief.
Boven de grond komen ze als ze dorst hebben (dauw), om een nieuw territorium te vinden of soms in de nacht op zoek naar eten. Ze kunnen goed zwemmen.
Molshopen dienen ook als ventilatiesysteem voor de gangen om lucht te verversen, bij regen ontstaan meer hopen om de gangen sneller droog te krijgen
Mollen eten alleen dierlijk voedsel, vooral (regen)wormen, bodeminsecten, slakken, spinnen, duizendpoten, soms zelfs muizen, kikkers of een ei, wat hij maar tegenkomt. Een mol loopt door de gangen heen en weer en pakt de dieren die erin gevallen zijn. Van wormen kan een wintervoorraad worden aangelegd, een mol bijt dan in de voorkant, zodat de worm verlamd raakt.
Onder de grond heeft de mol geen natuurlijke vijanden, alleen zijn eigen soortgenoten. Boven de grond wordt de mol bejaagd door onder andere uil, buizerd, blauwe reiger, ooievaar, wezel, hermelijn, vos en kat en hond.
Door het graven van een uitgebreid gangenstelsel houdt een mol de bodem luchtig en de afwatering goed. Hier profiteren veel planten en dieren van. Ze eten ook insectenlarven als emelten, die van graswortels leven en dus het juist gras aantasten. Vroeger waren het beschermde dieren, juist omdat ze veel insecten eten.
Mensen die niet blij zijn met de molshopen, gebruiken van alles om een mol te verjagen: klemmen, een vieze geur, gif of graven flessen in. De wind blaast langs de opening van de fles, er ontstaat een fluitend geluid waar een mol niet van zou houden. Op mijn tuinvereniging heb ik de buren veel bezig gezien met van alles, maar nooit met blijvend resultaat. De opengevallen plek wordt graag weer door een nieuwe mol ingenomen.
Gebruik de aarde van de molshoop als stekaarde, het is vaak luchtige grond en er zit niet veel zaad in als het van diep komt. Of hark de hoop met aarde weer glad. Als het nieuwe gangenstelsel klaar is, komen er een tijd geen nieuwe hopen meer bij.
Heb je een mol gezien? Meld deze (liefst met foto) op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
De Langpootmug

Het is lang koud gebleven, waarschijnlijk zijn langpootmuggen daarom pas de laatste tijd wat meer te zien. Als ze stil hangen in de vegetatie is het best lastig ze te ontdekken, terwijl het toch grote insecten zijn. In vlucht zijn ze juist heel goed te volgen, ze vliegen langzaam en het ziet er stuntelig uit. Langpootmuggen (Tipulidae) behoren met alle andere muggen en vliegen tot de orde van de diptera, de tweevleugeligen (Grieks di = twee, ptera=vleugels). Ze hebben één paar vliezige vleugels, het tweede paar heeft zich ontwikkeld tot halteren, een soort stuurknuppeltjes waarmee ze evenwicht bewaren. Omdat de langpootmuggen zo groot zijn deze halteren goed te zien! HERKENNING VOORKOMEN LEVEN VOEDSEL ECOLOGIE MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van juni 2021 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.
Lees meer
Langpootmuggen vliegen niet zo goed, maar kunnen soms ontsnappen aan belagers omdat ze makkelijk een poot(stukje) loslaten. Dit groeit niet meer aan.
Langpootmuggen hebben een lang en slank lijf, met lange vleugels en heel lange poten. De lichaamslengte is 7 tot 35 mm. Vele soorten zijn saai grijzig bruin gekleurd, maar bijvoorbeeld de Nephrotoma’s hebben een mooi geel/zwart getekend borststuk en lijf.
De grotere soorten houden hun vleugels in rust gespreid, de kleinere vouwen hun vleugels over hun lijf en bewegen vaak op en neer als ze zitten. De vrouwen hebben een puntig achterlijf, met de ovipositor of legbuis, waarmee de eitjes afgezet worden, mannen meer rechthoekig of ovaal.
Ze hebben grote ronde ogen en een opvallende snuit, maar steken of bijten doen ze niet.
In Nederland leven ongeveer 80 soorten, de meeste soorten zijn in de duinen te vinden. Het zijn nachtactieve dieren, maar je ziet ze overdag ook wel door de vegetatie heen bewegen. De vliegtijden zijn per soort ver- schillend, de meeste exemplaren worden gezien in mei (door de kou misschien dit jaar in juni) en september.
Langpootmuggen paren door het achterlijf tegen elkaar aan te brengen, dus met de koppen van elkaar af. Na de paring zoekt het vrouwtje geschikte afzetplaatsen voor de eieren op, via de ovipositor worden de eitjes afgezet. Vaak in de grond op vochtige plekken, maar ook in humus, mos en molmhout.
Het eistadium duurt één of twee weken, er zijn vier larvale stadia en een kort popstadium, ook één of twee weken. In ongunstige omstandigheden gaat een ei, larve of pop in winter- of zomerdiapauze. Overwinteren gebeurd ook als ei, larve of pop. Er is vaak een generatie in het jaar, maar sommige soorten hebben er twee. De imago’s, volwassen dieren, leven kort, enkele dagen tot hooguit een maand.
De larven (emelten) van de koollangpoot- mug (Tipula oleracea) en weidelangpootmug (T.paludosa) voeden zich met de groene delen van grassen en kiemplantjes, ze knippen een blaadje af en trekken dat in hun holletje. Andere soorten leven van dood of levend plantaardig materiaal. Ze houden zich overdag schuil en eten in de schemer en de nacht. Een imago eet niet of neemt hooguit een beetje vocht of nectar tot zich. De larven eten voldoende om de cyclus helemaal te voltooien.
Langpootmuggen spelen een belangrijke rol in de ecologie. Zowel de larven als de imago’s zijn voedsel voor tal van vogels. Mollen eten emelten, de imago’s worden bejaagd door spinnen.
Heb je een langpootmug gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
De Steekmug
Soms zie je de mug wel, nog een kunst om ze dan dood te maken, door het wapperen met hand of krant waaien die lichte muggen gewoon weg. Maar soms, plats, raak, een plek op de muur. Zit er rood bij het zwart, dan kwam de klap te laat, de bloedmaaltijd is al geweest en de jeukbult onvermijdelijk. STEKEN IS EIGENLIJK BIJTEN PARTNER NIEUWE MUGGEN ECOLOGIE HUISMUGGEN MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder op Het insect van de maand van de KNNV, daar kunt u eventueel ook reageren. Mmmmmmmmmmmm, wil je net gaan slapen na een zomerse dag, hoor je een mug. Velen kunnen dan niet gewoon inslapen door het gezoem, het geluid is te zeer verbonden met vervelende, jeukende bulten de volgende dag. Licht aan, op muggenjacht, vaak vergeefs, het licht is nog niet uit of daar is het zoemen weer. Lees meer
In Nederland zijn verschillende steekmuggen actief, waarvan vooral twee soorten ons binnenshuis bezighouden. De muggen zijn nachtactief, bij licht zoeken ze een stil plekje op om te rusten, daarom zie je ze vaak niet als je in de nacht het licht weer aandoet. In de avond de ramen open met licht uit, houdt de muggen niet buiten, een hor helpt wel.
Muggen komen af op geur en warmte, ze ruiken met de antennen, deze hebben vele haartjes en andere receptoren waarmee geurstoffen worden waargenomen. De lucht die we uitademen bevat koolstofdioxide, dat ruiken muggen op zeker 30 meter afstand. Ze komen dan ook eerst op ons hoofd af en kunnen wij ze zo goed horen. Ons lichaam geeft honderden geurstoffen of feromonen af, eenmaal dichtbij gaan ze op die andere stoffen en warmte af. Die geuren verschillen van mens tot mens, dat verklaart dat jij de gebeten hond kan zijn en je huisgenoten niet.
We noemen deze muggen steekmug, maar bijtmug dekt de lading beter. Muggen gebruiken hun monddelen om bloed of nectar te zuigen, een angel om te steken hebben ze niet. Bloed hebben alleen de vrouwen nodig om hun eitjes te ontwikkelen, mannen bijten niet, maar nemen wel nectar op voor energie.
Steekmuggen hebben een lange, naar voren wijzende zuigsnuit die uit verschillende onderdelen bestaat. De kaken en lippen van de mug zijn ontwikkeld tot een stekend en zuigend orgaan. De snuit is een holle buis met een soort injectienaalden, een boor, een spuit en een zuiger. Met de boor prikt ze door onze huid, een t-shirt of hemd eroverheen maakt de mug niet uit. We voelen die prik niet tenzij er toevallig ook een zenuw wordt geraakt. Onderaan zitten zintuigen die aangeven als een bloedvat is gevonden. Dan wordt via een ander deel antistollingmiddel ingespoten, dat veroorzaakt later de jeuk. Via het derde deel wordt het behulp van spierpompjes in de kop, bloed opgezogen.
Zoemen doen muggen niet als waarschuwing, dat is evolutionair gezien natuurlijk ook geen handige eigenschap. Ze zoemen uit liefde, de vrouwen willen bevrucht worden. In het donker zien ze elkaar niet zo goed, dus laten ze elkaar met gezoem weten dat ze er zijn. Elke muggensoort zoemt met een eigen frequentie, zo horen ze wie geschikte partners zijn.
Eitjes legt de moedermug in stilstaand of zwakstromend water. Een restje water in een gieter of regengoot, een onderzetter voor potplanten, de regenton, het is de moeder al gauw goed genoeg. Zoek bij overlast van muggen eerst die vergeten waterrestjes op en kiep ze weg. Een beetje olie of afwas in de regenton zorgt ervoor dat muggenlarven geen luchtje kunnen scheppen aan het oppervlak. In een gezonde vijver leven genoeg dieren die muggenlarven eten. Er worden een tiental tot honderden eitjes afgezet. De larven filteren algen en andere kleine organismen uit het water om te groeien. Met het uiteinde van het achterlijf hangen ze aan het oppervlak van het water om zuurstof op te nemen, bij gevaar laten ze zich kronkelend naar de diepte zakken. Er kunnen meerdere generaties in één jaar zijn.
Voor ons zijn deze muggen lastig maar ze worden graag gegeten door vele dieren, als larve in het water door kikkers, padden en hun larven, larven van libellen, kevers en hun larven, vissen. Volwassen muggen staan op het menu van onder andere vogels en vleermuizen.
Muggen vormen samen met vliegen de orde van de diptera, twee-vleugeligen. Beide hebben maar één paar vliegvleugels, het andere paar is verworden tot een soort stuurknuppeltje, de halters. Bij een grote soort als een langpootmug kun je dat heel goed zien. Muggen en vliegen verschillen van elkaar door de antennen, bij vliegen zijn deze altijd kort (driedelig), bij de mug veel langer. Van de 25 families onder de muggen, zijn er slechts drie die bloed nodig hebben en daar weer een klein deel van neemt mensenbloed. Niet nodig dus om alles wat een beetje op een mug lijkt dood te klappen.
In huis zijn vooral twee soorten steekmug te vinden, Culex pipiens pipiens en de Culex pipiens molestus. De eerstgenoemde gaat in winterrust, maar de molestus is het hele jaar actief. Ze hebben verschillende voorkeuren hebben. De molestus houdt van zoogdieren, zoals mensen. De andere vooral van vogels, maar neemt heel af en toe ook mensenbloed. Deze soorten kunen kruizen en hun nakomelingen hebben voorkeur voor zoogdier of vogel, virussen kunnen op die manier makkelijker worden overgebracht. Steekmuggen kunnen met de virussen ziektes overbrengen, vooral zuidelijke soorten zijn berucht. Door import van uitheemse waar en klimaatverandering komen deze soorten ook onze kant op.
Heeft u een mug gezien? Meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Pinksterbloemlangsprietmot
HERKENNING LEEFWIJZE ECOLOGIE MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer met foto’s van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van april 2022 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.De eerste pinksterbloemen (Cardamine pratensis) bloeien al met hun mooie lichtlila of zachtroze bloemen. Ze inspireren mij voor dit stukje, want wat was ik blij om een paar jaar geleden mijn eerste pinksterbloemen te zien in het voormalig kortgehouden grastapijtje van mijn tuin. Het waren drie exemplaren en nog mooier was het om daarop een pinksterbloemlangsprietmot te zien. Zelfs in klein lettertype is de naam waarschijnlijk langer dan het beestje zelf. Maar het is een bijzonder mooi diertje en zeker de moeite waard om te ontdekken. Lees meer
De pinksterbloemlangsprietmot (Cauchas rufimitrella) is een nachtvlinder uit de familie Adelidae (langsprietmotten) en vallen onder de microlepidoptera, kleine vlinders. De antennen van de mannen zijn heel lang, vandaar de naam, van de vrouwen wat korter en dikker. Het kopje is harig. De spanwijdte van de vlinder bedraagt tussen de 10 en 12 millimeter. De vleugels hebben een roodpaarse metaalglans.
Pinksterbloemlangsprietmotten vliegen in mei en juni, maar zijn mogelijk al eind van de maand te vinden, de natuur “ontwaakt” steeds vroeger.
De volwassen pinksterbloemlangsprietmotten zie je op verschillende bloemen nectar halen. Van andere langsprietmotten is bekend dat meerdere mannen rond een vrouwtje vliegen, bij deze soort heb ik dat niet gezien en kan er ook niets over vinden. De paring is in touwtrekhouding, de achterlijfjes verbonden maar ze kijken beiden een andere kant op. Eitjes worden gelegd op pinksterbloemen en look-zonder-look. De larven leven in de zaden van die planten. Ze verpoppen in de grond en overwinteren als pop.
Deze soort is onderdeel van een ecosysteem en alleen dat al bepaalt zijn waarde. Mooi is dat de pinksterbloem ook voor dagvlinders een goede waardplant is. Dagvlinders als het oranjetipje en de koolwitjes leggen eitjes op pinksterbloemen.
Heb je een gewone pinksterbloemlangsprietmot gezien? Meld deze (liefst met foto) op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
De ruwe pissebed
Dit ‘insect’ is geen insect maar een kreeft, de ruwe pissebed.
Het is nog koud in februari en er zijn niet zo heel veel insecten te zien. Pissebedden zijn nu overal te vinden, ook een van de kleine dieren, ook een geleedpotige net als insecten, maar verder heeft deze soort weinig gemeen met insecten.
Lees meer
EIGEN ERVARING Het hele jaar door, onder elke steen, boomstam, bloempot of hoopje bladeren zijn ze te vinden. Elk vochtig plekje is een mogelijke woonplaats voor pissebedden. Als kind maakten we huisjes voor lieveheersbeestjes en pissebedden, met de omtrek van kamers van steentjes en takjes. Helaas wilden ze er niet graag wonen en maakten dat ze wegkwamen. HERKENNING KREEFTJE LEVEN ROL IN DE ECOLOGIE SOORTEN Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder op Het insect van de maand van de KNNV, daar kunt u eventueel ook reageren.
De ruwe of gewone pissebed (Porcellio scaber) is de meest algemene soort van Nederland. Ze worden 9 tot 13,5 mm groot. De kleur is grijs, soms wat lichter aan de rand. Ook een oranje of geelgroene grondkleur met grijze vlekjes komt voor. Het diertje voelt ruw aan door de vele kleine bobbeltjes op het lichaam.Omdat pissebedden geen insecten zijn, hier iets meer over de soort. Pissebedden behoren tot de geleedpotigen, net als insecten, maar zijn kreeftachtigen, dieren met een hard pantser. Onder deze stam valt de orde van pissebedden, de ruwe pissebed hoort bij de land-pissebedden. Ze bestaan ze, net als insecten, uit drie delen, kop, borststuk en achterlijf. Ze hebben antennen (met een oranje eerste leedje) en ogen (niet alle soorten), een groepje ocelli, deze zijn dus eenvoudiger dan insectenogen. Het borststuk heeft zeven segmenten, elk met één paar poten, 14 pootjes in totaal, in plaats van zes bij insecten. Het achterlijf heeft zes segmenten, vaak met aanhangsels waarmee de soorten te onderscheiden zijn. Via de aanhangels worden overtollige stoffen verwijderd. Op eerste zicht lijkt borststuk en achterlijf een geheel, het pantser van de pissebed. Zij kunnen, in tegenstelling tot veel familieleden, helemaal buiten het water leven, zelfs voor de voortplanting zijn ze niet afhankelijk van water. Wel hebben ze een vochtige omgeving nodig. Zuurstof nemen ze op via de uitwendige longen, een soort kieuwen, die te vinden zijn aan de onderkant van het achterlijf.
Pissebedden eten dood organisch materiaal, zoals afgevallen bladeren en dode planten. Ze verwerken het materiaal tot kleine stukjes. Bacteriën zorgen voor de verdere afbraak tot stoffen die opgenomen kunnen worden door planten. Soms wordt dit dieet aangevuld mest, dode dieren (ook andere pissebedden) schimmels en bacteriën. Slecht een gedeelte van dit voedsel wordt gebruikt, het grootste gedeelte wordt weer uitgescheiden. Deze poepjes zijn voedsel voor de jonge pissebedden, die daarmee meteen de juiste bacteriën binnenkrijgen. Om te groeien moeten ze vervellen, een paar dagen voor een vervelling stoppen ze met eten. Eerst vervelt het achterste gedeelte, daarna de de kop en voorste deel. Het vervellingshuidje wordt opgegeten.
Pissebedvrouwtjes paren met meerdere mannetjes, meerdere keren per jaar. Het mannetje legt zijn antennen op het vrouwtje en als zij niet weg loopt, klimt hij op haar rug. Dan beweegt hij zijn achterlijf eerst naar één van de zijden van het vrouwtje, waarna de sperma-overdracht plaatsvindt, daarna naar de andere kant. Na het paren vervelt het vrouwtje en krijgt een broedbuidel. Dit is een met vloeistof gevulde, langwerpige zak die zij met zich meedraagt. Hierin legt ze de eitjes, die na een maand uitkomen. Door de bewegingen van de kleintjes, breekt de broedbuidel open en komen de jonge dieren vrij. Ze zijn direct zelfstandig.
Pissebedden worden graag gegeten door een keur aan andere dieren, spitsmuizen, egels, vogels, padden, kikkers, kevers, wolfspinnen, hooiwagens en duizendpoten. Als verdediging kunnen pissebedden zich verweren door het uitscheiden van een smerig smakend stofje en klevende stoffen. Veel helpen lijkt dat niet te doen. Op vochtige plekken, als er veel pissebedden bij elkaar zitten kan een virus infectie plaatsvinden, deze kleurt de dieren blauw tot paars. De gekleurde dieren sterven na een paar weken, degene die ervan eet wordt ook besmet. Er zijn ook vliegen die op pissebedden parasiteren.
In Nederland komen ongeveer 40 soorten landpissebedden voor, die vaak veel op elkaar lijken. In elke tuin zijn meerdere soorten te vinden.
Wilt u ook eens proberen deze te determineren kijk op de digitale soortzoeker tuinpissebedden
Heeft u een pissebed gezien? Meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Regenworm
Regenwormen hebben een langwerpig, wormachtig lichaam zonder poten of andere aanhangsels. Het lichaam bestaat uit segmenten, het aantal neemt met het ouder worden toe. Vooraan, na ongeveer het dertigste segment, zit bij volwassen regenwormen een verdikking, het clitellum of zadel. SOORTEN REGENWORMEN LEVEN VOORTPLANTING REGENWORMEN EN REGEN ECOLOGIE MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van februari van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.UITERLIJK
Regenwormen (Lumbricidae) zijn een familie van de borstelwormen. Er zijn in Nederland zo’n 30 soorten. Regenwormen hebben mannelijke én vrouwelijke geslachtsorganen. De plaats en vorm daarvan onderscheidt regenwormen van andere borstelwormen. Een regenworm lijkt helemaal glad, maar ze hebben ook haren, borstels, die nuttig zijn bij het graven. Ze hebben geen ogen, maar registreren wel licht en donker, ze houden niet van licht. Lees meer
Nederlandse regenwormen worden verdeeld in drie groepen die van elkaar verschillen in gedrag, voedsel, uiterlijk en habitat: strooiselbewoners, pendelaars en grondeters. Strooiselbewoners blijven klein en leven in de strooisellaag van de bodem, compost of in mest. Ze zijn bijna altijd roodbruin (camouflage) en spartelen bij aanraking.
Pendelaars graven verticale gangen in de bodem, waar ze ’s nachts (half) uitkomen en voedsel zoeken, zoals bladeren, die ze de grond intrekken. Zij hebben een donkere voorkant en een lichte achterkant (deel dat in de grond blijft) en zijn vaak groot. Grondeters maken horizontale gangen in de grond en komen niet boven, deze zien er bleek of grauw uit.
De grote blauwkopworm (Lumbricus terrestris), een pendelaar, is zeer algemeen en de grootste soort met een lengte tot 30 cm.
Regenwormen houden van vochtige, niet te zure grond (er zijn uitzonderingen) en voldoende organisch materiaal, want dat laatste is hun voedsel. De grondeters kunnen wat beter droge perioden overleven dan de andere soorten. Wormen hebben een kop met een mond en een achterkant met een anus. De noodzakelijke organen liggen voornamelijk aan de voorkant.
Het is niet waar dat een in tweeën gehakte worm als twee wormen verder kan leven. Als het deel van de achterkant klein genoeg is, kan dat wel weer aangroeien. Het loslaten van het achterste deel is ook een tactiek om parasieten en gifstoffen kwijt te raken of aan predators te ontsnappen.
Regenwormen houden van vochtig weer (zonder vorst) en fourageren vaak in de nacht. Je komt ze tegen in het strooisel (bladeren, takjes en dergelijke op de bodem) onder dood hout en schors, composthopen, mest en dergelijke. Of als je in de grond aan’t spitten bent. Als het een tijd erg droog is en bij kou in de winter, gaan wormen in diapauze, een soort rustfase om ongunstige omstandigheden te overleven, ze kruipen diep in de grond en krullen zich op.
Een regenworm heeft een andere worm nodig voor de bevruchting van de eitjes. Tijdens de paring gaan ze tegen elkaar aanliggen, dat kan enkele uren duren. Ze wisselen sperma uit en slaan dat op in speciale spermazakjes, de spermathecae. Wanneer de eitjes rijp zijn wordt door het clitellum een slijmzak gemaakt. De worm kruipt achterwaarts uit deze slijmzak, tijdens dat kruipen worden sperma en eitjes toegevoegd aan de slijmzak. Als de worm eruit is, sluit de zak zich, droogt op tot een cocon waarin de eitjes zich verder ontwikkelen. Het cocon is zo groot als een erwt en een beetje citroenvormig. Na een tot vijf maanden komen de wormen uit de cocon, vaak is dat er maar één. Daarna zijn nog een aantal maanden nodig om volwassen te worden.
Regenwormen zijn vooral te zien als het regent, alleen dan willen ze overdag nog wel eens in de open lucht over de grond of bestrating kruipen. Regenwormen reageren op de trillingen in de bodem die veroorzaakt worden door de vallende regendruppels. Ze zijn gevoelig voor trillingen om aan gravende dieren, zoals mollen, te ontkomen, ze kruipen dan naar boven. Onder andere meeuwen maken daar gebruik van als je ze ziet trappelen op het gras. Het is dus niet zo dat ze proberen te ontsnappen aan de regen omdat ze kunnen verdrinken als hun gangetje volloopt. De regenworm leeft vaak in waterige omstandigheden, zelfs onder de grondwaterspiegel. Ze nemen zuurstof op door de dunne huid, dit werkt ook onder water. Als het regenwater rijk is aan zuurstof hebben regenwormen niet veel te vrezen van een bui. In zuurstof arm water komen ze wel in de problemen, daaraan proberen ze te ontsnappen.
Regenwormen hebben door het graven van tunnels en het afbreken van plantaardig materiaal een gunstige invloed op de kringloop en de bodemstructuur. De gangen zorgen voor beluchting, plantenwortels kunnen makkelijker groeien en andere organismen worden ook geholpen om organische stof af te breken. De wormenpoep bevat vele mineralen die zo door planten opgenomen kunnen worden, ze verrijken dus de bodem. Regenwormen worden door vele dieren gegeten en zijn soms zelfs het hoofdvoedsel, zoals bij mollen en merels. Veel andere vogels, egels, muizen, dassen, naaktslakken, duizendpoten, insecten als kevers eten wormen. Daarnaast zijn er ook parasieten. Door gebruik van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen in tuinen en de landbouw worden
regenwormen bedreigd.
Heb je een regenworm gezien? Meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
De Grote aardslak of tijgerslak
HERKENNING De grote aardslak of tijgerslak (Limax maximus) is een naaktslak uit de familie aardslakken. Ze worden 15 tot 20 cm lang. Het zijn slanke slakken zonder huisje, de kleur is zeer variabel, grijs of beige met donkere strepen en vlekjes, soms meer aaneengesloten als strepen. Over het midden van de rug, van de staart tot het schild loopt de kiel, een streep verhoogde huid, bij tijgerslakken is deze richting schild steeds minder zichtbaar. De voetzool is wittig. Aardslakken hebben de ademopening achter het midden van het schild. Bij tijgerslakken zit deze ademopening aan de rechterkant. Bij wegslakken, ook grote naaktslakken, zit de ademopening altijd voor het midden van het schild. Naaktslakken stammen af van huisjesslakken, de tijgerslak heeft nog een kalkrestant van een huisje onder het schild. Alle slakken hebben twee paar tentakels, twee naast de mondopening en twee grotere bovenop de kop, met in het knopje een donker oog. Ze trekken deze tentakels makkelijk in. Huisjesslakken kunnen zich helemaal terugtrekken in hun huisje, tijgerslakken trekken hun kop terug onder het schild. LEEFWIJZE Tijgerslakken houden van dichtbegroeide plaatsen in naald- en loofbossen en zijn ook te vinden in grotere tuinen en parken. Ze houden absoluut niet van droogte en zijn daarom vooral nachtactief, maar op warme, bewolkte en regenachtige dagen kan je ze ook overdag zien. Ze schuilen in holle bomen, rottend hout, onder houtstapels en stenen, in composthopen e.d. Ze kunnen drie jaar oud worden. Ze moeten dan in de winter wel goed wegkruipen voor de vorst, het lichaam dat voor 90% uit water bestaat, mag niet bevriezen. Een winterslaap houden ze niet. Tijgerslakken hebben een voet (de hele onderkant) en scheiden slijm af om zich goed te kunnen voortbewegen, zoals alle slakken. Het slijm van de tijgerslak is taai en kleurloos. Net als alle andere slakken zijn tijgerslakken hermafrodiet, man en vrouw tegelijk. Bij het paringsritueel wisselen ze met penissen zaadcellen uit, die opgeslagen worden in een holte bij de eicellen. De eitjes gaan zich ontwikkelen en na een paar weken worden er verschil lende pakketjes doorzichtige eitjes gelegd, in vochtige grond, onder stenen of hout gelegd. Na een paar weken komen de jonge slakjes uit. PARING In juli en augustus gaan tijgerslakken op zoek naar een partner, ze ruiken de slijmsporen van andere slakken en volgen dat. Op de bewuste nacht van het nachtvlinderen zagen we vele slakken op de bomen omhoog kruipen. Als ze een geschikte partner hebben gevonden maken ze een taaie stevige slijmdraad aan (voelde niet slijmerig aan) 20 tot 40 cm lang en daar hangen ze al om elkaar heen kronkelend aan. Hangen ze goed dan komen hun penissen uit een plek onder het schild (ook rechts, vlak achter de grote tentakel), die kronkelen zich ook om elkaar haan en vormen een grote blauwwitte klont waar sperma wordt uitgewisseld. Als dat is gelukt worden de penissen weer ontkoppeld en heel snel ingetrokken, maar een klein deel blijft nog wat langer zichtbaar. De slakken gaan dan weer een eigen weg, een van de slakken schijnt nog een deel van de slijmdraad waar ze aan hangen op te eten. Ik zag ook slakken alleen met een slijmdraad. VOEDSEL EN ECOLOGIE Tijgerslakken zijn alleseters en daarmee belangrijker opruimers, die bijdragen aan een gezonde kringloop. Anders dan bijvoorbeeld wegslakken eten ze geen of nauwelijks groene planten, tenzij er gebrek aan ander voedsel is. Ze eten dood plantmateriaal, algen, paddenstoelen / schimmels, dode dieren en ook andere slakken en hun eieren. Ze eten veel en snel, maar verteren dat later op een rustige plek, net koeien, maar dan zonder al die magen. Zelf zijn ze ook weer voedsel voor vogels, muizen, egels, kikkers en padden. Er zijn een aantal parasieten van slakken die waarschijnlijk ook tijgerslakken aankunnen. Er bestaat een hele familie slakkendoders (Sciomyzidae), vliegen die eitjes leggen in slakken of de eitjes. Ooit heb ik een grote glimworm grootgebracht die van slakken at, maar deze niet doodde. TUINEN Slakken zijn niet erg geliefd bij tuinders, vooral niet als ze eigen groente kweken. Ook planten als Hosta, Dahlia en ridderspoor zijn geliefd bij sommige soorten slakken. Dit zijn vooral wegslakken en andere naaktslakken en segrijnslakken (een soort huisjesslak). Andere slakken zijn veel minder of helemaal niet schadelijk. Gebruik nooit slakkenkorrels, ook niet de zogenaamde ecologische soorten, die treffen alle soorten slakken. Wegvangen is een beter idee en dan wegbrengen naar een plantsoen in de buurt. Internet staat vol met tips daarvoor. Tijgerslakken hebben ook andere slakken op hun menu en kan je beter met rust laten. Jonge planten die je perse wil kan je in het prille stadium beschermen door een groot glas of halve plastic fles erover heen te zetten (’s nachts), als ze wat groter en steviger zijn worden de planten al minder aantrekkelijk. Of overweeg de aantrekkelijke planten niet meer in de tuin toe te passen, er zijn zoveel soorten. Mijn tuin is zonder Hosta en Dahlia ook nog best mooi. MELDEN Heb je een tijgerslak of een ander soort slak gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van augustus 2021 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.Bij een nachtvlinder-nacht in Brabant, tijdens het weekend van de Nederlandse Entomologische Vereniging in augustus, was ik getuige van een wonderlijk shouwspel. Zo wist ik meteen dat deze soort het beestje van de maand zou gaan worden. Lees meer
Landslakken
SLAKKEN HOUDEN VAN VOCHT VOORTPLANTING VOEDSEL TUINDERSVERDRIET ECOLOGIE MELDEN Heeft u een SLAK gezien? Meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van januari van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.Slakken (Gastropoda) zijn weekdieren (Mollusca) en worden ook wel buikpotigen genoemd, ze hebben een sterke spier aan de onderkant van het lichaam. Slakken zijn de enige weekdieren die ook op land leven. De meeste slakken leven in zee of in zoet water. Er zijn landslakken met en zonder huisje, in Nederland ongeveer 150 soorten. Onlangs zijn er in Limburg twee nieuwe soorten gevonden die daar tussenin zitten: halfnaaktslakken, met een piepklein huisje achterop het lijf. Lees meer
HUISJESSLAKKEN
Er worden 13 “super” families onderscheiden, met ongeveer 95 soorten. De huisjes zijn rond, kegelvormig of langwerpig. Het onderscheid zit in de vorm van dat huisje, al dan niet met ribbeltjes, stekeltjes of zelfs haartjes en de hoogte en de breedte. Ook de mondopening, grootte en vorm is belangrijk bij de determinatie. Er zijn slakken die hun opening met een deurtje kunnen afsluiten, het operculum. De grootte van de huisjes, ook een onderscheid, varieert van 1,4 mm (het dwergpuntje – Punctum pygmaeum) tot 5,5 cm (de gebandeerde wijngaardslak – Helix lucorum).
De huisjes maken de slakken zelf aan en groeien mee met de slak, kleine beschadigingen worden gerepareerd. Bij gevaar trekken huisjesslakken zich helemaal in hun huisje terug. Als het in de zomer heel warm wordt kunnen huisjesslakken met een extra sterke slijmlaag hun huisje afsluiten en in zomerrust gaan. In de winter kunnen ze hetzelfde doen om de koude tijd door te komen. Veel slakken kruipen daarvoor ook in de bodem.NAAKTSLAKKEN
Hiervan worden 5 superfamilies onderscheiden, met minder soorten. Voor determinatie kijk je eerst naar de ademopening op het schild, het voorste deel op de rug van de naaktslak. Ligt die voor het midden dan is het een van de wegslakken, ligt het achter het midden, dan is het een van de andere soorten. Bij die andere soorten kijk je verder naar de kiel, dat is een verhoogde lijn over het midden van de rug (maar niet altijd goed te zien). Loopt de kiel van schild tot staartpunt is het een wormnaaktslak of een van de kielnaaktslakken. Is de kiel slechts op een deel van de rug aanwezig, zijn het aardslakken of akkerslakken. De lengte van het volwassen dier, uitgestrekt, is 25 mm bij de egel-wegslak (Arion intermedius) tot 20 cm bij de tijgerslak (Limax maximus).
Het lichaam van een slak bestaat voor een groot deel uit water. De slijmerige huid zorgt ervoor dat ze niet uitdrogen. Bij de mond zit een klier om slijm aan te maken voor de voortbeweging. Een slak kan zich daarmee, al glijdend, makkelijk verplaatsen. Kruipt een slak omhoog of omlaag, wordt er een ander soort slijm afgescheiden, voor meer grip. Het slijm bevat geuren, waardoor de slak een schuilplaats of voedselgebied makkelijk terug kan vinden en ook een andere slak om mee te paren. De vochthuishouding is van groot belang, slakken zijn erg gevoelig voor invloed van de omgeving: temperatuur, licht en zoutgehalte. Ze zijn dus vooral te vinden op plaatsen waar het vochtig is: verscholen in de vegetatie, onder afgevallen bladeren, onder of in dood hout, onder stenen, in spleten etc. De meeste soorten mijden de zon hoewel een aantal zich heeft aangepast aan een leven in een droge en hete omgeving. Veel soorten zijn alleen ’s nachts actief of komen tevoorschijn na regen.
Een slak heeft zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen en zijn hermafrodiet. Ze paren, soms met prachtige, bijzondere en langdurige rituelen en bevruchten dan elkaar met behulp van liefdespijlen.
De eitjes van slakken zijn enkele millimeters in doorsnede, meestal doorzichtig of wittig.
Slakken hebben een rasp-achtige tong, de radula, die bestaat uit vele duizenden kleine hoornachtige tandjes. Hiermee worden dunne laagjes weefsel van het voedsel geschraapt. De grootte, vorm en aantal tanden is aangepast aan het voedsel van de slak.
Landslakken eten vooral (afgestorven) planten en bladeren, maar er zijn er ook die aas, algen, dode insecten, paddenstoelen en schimmels eten. Het zijn belangrijke opruimers die ten onrechte alleen als schadelijk worden gezien. Sommige naaktslakken eten zelfs andere naaktslakken en slakkeneitjes.
Tuinders zijn vaak niet zo blij met slakken. De net opkomende sla of Dahliaas zijn erg gewild bij bepaalde soorten. Dit zijn vooral naaktslakken, maar ook een grote soort als de segrijnslak. De kleinere en mooi gekleurde tuinslakken doen niet zoveel kwaad. Slakken op weg naar de sla laten zich (eigen ervaring) niet tegenhouden door zand, eierschalen, koffiedik of koperdraad. Een bierval lokt slakken over honderden meters, helaas storten die zich niet allemaal in de val, met als gevolg nog extra slakken in de buurt. Het beste helpt het afdekken van opkomende planten met een glas of een halve plastic fles, totdat de planten wat groter en steviger zijn. Wegvangen van slakken in de avond is ook een goede methode. Leg een plank of groot blad van klis of rabarber neer, kijk er aan het begin van de avond onder en breng de vangst ver weg en laat vrij. Gebruik nooit gif of zout! Gif, ook de ecokorrels, bedreigen ook slakken die geen schade veroorzaken en juist nodig zijn in de kringloop. Dat gif trekt ook in de bodem, net als zout, en is schadelijk voor bodemorganismen. Wat ook helpt is een beetje een rommelige tuin, dan zijn er voldoende dode of oude planten die ook graag gegeten worden.
Slakken zijn onmisbare opruimers van afgestorven planten en dieren. Ze worden graag gegeten door egels, mollen, kikkers, padden, vogels (denk aan de lijster smidse), kevers, duizendpoten, muizen. Slakken dragen soms ook parasieten met zich mee. Een heel bijzondere is de platworm Leucochloridium paradoxum. De barnsteenslak is de tussengastheer van deze worm. Als larve vestigt deze worm zich in de tentakels van de slak en trekt door pulsen vogels aan die de slak opeten. Daarna kan de worm zich verder ontwikkelen en poept de vogel de eitjes weer uit.
Spinnen, de gewone huisspin en de kruisspin

UITERLIJK Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van september 2022 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.
Spinnen hebben aan op het voorlichaam acht ogen (een paar soorten zes) met één lens, geen facetogen, twee tasters en twee kaken met een gifkanaal. Het achterlichaam heeft spintepels en is flexibel, het kan uitzetten bij een grote maaltijd of het dragen van de eieren. De haren en stekels op de poten zijn zintuigen om de omgeving te duiden. Lees meer
JACHT
Er zijn spinnen die webben maken om prooien te vangen en spinnen die jagen. De laatste soorten hebben een beter gezichtsvermogen dan de webbouwers. De plaats van de ogen is vaak al een aanwijzing om welke familie het gaat. De webben zijn zeer uiteenlopend van vorm en structuur, met en zonder lijmdruppels, met struikellusjes, als een wiel hangend in de vegetatie, als een trechter op de grond, los of juist dicht geweven.
VOORTPLANTING
Volwassen mannen hebben aan de tasters copulatie-orgaantjes, daarmee neemt hij sperma op dat hij voor de bevruchting op een webje deponeert. Deze orgaantjes passen als een sleutel op een slot in het vrouwelijk geslachtsorgaan (epigyne) van de eigen soort.
EICOCON
De vrouwen maken voor hun 2 tot 500- eitjes een cocon van spinsel, ook daar is weer veel variatie in. Een aantal soorten draagt het cocon mee, tussen de kaken of spintepels, andere bewaken het cocon op kleine afstand of zorgen voor extra stevige cocons.
Jonge spinnen zien er al uit als een spin, om zich te verplaatsen kunnen ze een spindraad in de lucht gooien en met de wind mee te waaien. Ze moeten een paar keer vervellen voor ze volwassen zijn. Daarvoor gaan ze aan hun poten hangen en zakken zo, door de zwaartekracht geholpen, uit hun oude velletje.
ECOLOGIE
Spinnen vangen levende insecten en dragen daarmee bij aan het evenwicht tussen de soorten. Zelf worden ze gegeten door vogels, wespen, libellen en mieren en belaagd door parasitaire wespen en -vliegen en schimmels.
Gevangen prooien worden nog wel eens door wespen geroofd. Dat heb ik meerdere keren gezien, de spin laat dit gebeuren en wacht af tot wesp er met de buit, het voedzame borststuk, vandoor is.
BESCHERMING
Laat spinnen zoveel mogelijk met rust en bestrijd deze niet, zeker niet met giffen. De grootste vijand voor de spinnen is het klimaat. Tegen hitte, droogte en veel regen zijn spinnen niet goed bestand en ook voor hun voedsel zijn die omstandigheden niet best. De achteruitgang van onze insectenfauna is ook voor spinnen funest.
GEWONE HUISSPIN
De gewone huisspin, Eratigena atrica, is een trechterspin, ze trechtervormige webben. Ze wonen in huizen, schuren, garages en tuinen. Het zijn forse spinnen, met een langwerpig achterlijf waarbij de spintepels duidelijk te zien zijn. Ze zijn donker met twee rijen lichtere vlekjes, 10 – 16 mm groot, de vrouwen wat groter dan de mannen. In het najaar vallen ze in huis opeens op, dan kan er opeens een grote spin door de kamer rennen: een man op zoek naar een vrouw.
KRUISSPIN
De kruisspin, Araneus diadematus, is één van de wielwebspinnen. De kleur is variabel: gelig, roodachtig, donkerbruin of bijna zwart. Het driehoekige achterlijf heeft een wit vlekkenpatroon van stippen en strepen in de vorm van een kruis, soms is dit kruis niet zo goed te zien. Een vrouwelijke kruisspin kan 12 tot 17 mm groot worden, zonder poten gemeten, mannen blijven kleiner, 5 tot 10 mm. De volwassen vrouwen weven grote ronde (wiel)webben, waar ze vaak in het midden te zien zijn. Juist in de herfst vallen ze goed op omdat zijzelf en de webben dan op hun grootst zijn.
Melden
Heb je een (huis- of kruis-)spin gezien? Meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
De Kruisspin
Anna Kreffer:
“Bijgaand weer een “insect van de maand” wat weer geen insect is want een lijfje met twee delen in plaats van drie en geen zes maar acht poten.
Toch deze soort want ik hoop ze komende tijd veel te zien.”
EIGEN ERVARING HERKENNING ZINTUIGEN VAN EEN (KRUIS)SPIN LEEFWIJZE VOORTPLANTING VOEDSEL WEB VOORKOMEN ECOLOGIE BESCHERMING Heeft u kruisspin gezien? Maak een foto en meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder op Het insect van de maand van de KNNV, daar kunt u eventueel ook reageren.
Mijn meest bijzondere waarneming was toch wel dat een vrouwtje kruisspin mijn fietstas had uitgekozen als mooie plek voor een ei-cocon. Lees meer
De kruisspin (Araneus diadematus) behoort tot de familie van wielwebspinnen.
Zoals alle spinnen hebben ze een achterlijf en een kopborststuk met vier paar poten. De kleur is variabel: gelig, roodachtig, donkerbruin of bijna zwart. De rug van het achterlijf heeft een wit vlekkenpatroon van stippen en strepen in de vorm van een kruis, soms is dit kruis niet zo goed te zien. Aan de zijkanten is vaak ook een golvende lijn te zien. Het achterlichaam heeft een driehoekige vorm. De poten zijn harig en bruin met afwisselende lichte banden.
Een vrouwelijke kruisspin kan 12 tot 17 mm groot worden, zonder poten gemeten, mannen blijven kleiner, 5 tot 10 mm.
De vrouwen weven in de herfst grote ronde (wiel)webben waar ze vaak in het midden te zien zijn. Ze vallen dan goed op.
De poten hebben een stekelige beharing, daarmee voelt de spin. De poten bestaan net als bij andere spinnen uit zeven segmenten en eindigen in kleine klauwtjes waarmee de spin zich aan de ondergrond hecht. Het voorste paar poten is het langst en wordt gebruikt om de omgeving af te tasten.
Aan de voorkant heeft de spin twee paar kaken. De bovenkaken eindigen spits, hier loopt een gifkanaal doorheen, de gifklieren liggen in het kopborststuk. De onderkaken hebben brede kauwplaten en palpen, tastzintuigen, vergelijkbaar met de antennen van insecten.
Aan de bovenkant liggen acht puntogen waarmee de spin kan zien. De ogen bestaan uit een enkele structuur met ieder een eigen lens.
Aan de achterkant bevinden zich zes spintepels en twee ademhalingsgaten.
In de herfst maken de vrouwen op een beschutte plaats een witgeel cocon van ongeveer 4 cm, met daarin 300 tot 800 eitjes. Het vrouwtje bewaakt het cocon tot haar dood. De eitjes komen in het voorjaar daarop uit. Spinnen hebben een onvolledige gedaante verwisseling, kleine spinnen zien er al uit als spin.
De kleine kruisspinnen zijn geel met zwart, ze leven de eerste 7 tot 10 dagen van de dooier. Ze spinnen met draden een warrig nest en leven de eerste tijd nog samen. Zo’n prachtig geelzwart glimmend bolletje, dat, als je het aanraakt, uit vele over de draden rennende mini-spinnen bestaat en even later weer samenklonteren.
Na enkele dagen klimmen ze omhoog en laten ze uit hun achterlijf een lange draad de lucht in zweven. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in, zo raken ze verspreid.
Jonge spinnen maken een web dat al direct lijkt op dat van volwassen exemplaren, maar in het begin is het nog veel kleiner. Ze vervellen een aantal keer. Na het vervellen zijn ze nog zacht en kunnen een beetje groeien. In deze fase zijn ze extra kwetsbaar, ze verstoppen zich tot ze weer zijn uitgehard. Pas in het volgend jaar worden ze volwassen. De cyclus duurt dus twee jaar.
In de zomer van het tweede jaar worden ze volwassen, vooral de vrouwen groeien dan zeer snel. Die vrouwen maken in de herfst hele grote webben, soms wel een halve meter doorsnee en blijven in het midden wachten. Ze maken webben op beschutte plaatsen wat hoger in de vegetatie. De volwassen mannen hebben nog maar een taak en dat is het bevruchten van een vrouw. Het achterlijf van de mannen blijft kleiner dan bij de vrouwen, de poten worden juist langer en de palpen groter.
De volwassen spinnen sterven bij de eerste nachtvorsten, een heel enkele komt nog wel eens een winter door op een beschut plekje.
De voortplantingsorganen van zowel de mannelijke als vrouwelijk spin bevinden zich voor de spintepels. De man heeft knotsvormige palpen, met aan het eind de bulbus, die dient als spermaopslagplaats en past als een sleutel in een slot, in de geslachtsopening van een bijbehorend vrouwtje. De man brengt sperma aan op een webje en zuigt dat op in zijn bulbus. Het sperma is daar niet erg lang houdbaar. Hij moet het dus niet te vroeg doen maar kan ook niet wachten tot hij ‘mag’. Eenmaal bij een vrouw, neemt hij soms een lekker hapje mee om haar gunstig te stemmen. Bij haar web aangekomen laat hij het ook op een bepaalde manier trillen. Dit doet hij door een draad te spinnen vanaf zijn plek naar het web van de uitverkoren vrouw. Als zij hem accepteert kan hij haar bevruchten. De vrouw heeft een speciaal kamertje om het sperma op te slaan. Als ze eenmaal eitjes draagt, zwelt haar achterlijf op. De vorm van de palpen van de man is een van de belangrijkste kenmerken bij de determinatie van spinnen.
Met de webben worden vooral vliegende insecten gevangen. Die raken verstrikt in de draden, door de beweging wordt de spin gewaarschuwd. Die verzekert de prooi door het met extra draden in te spinnen. De spin bijt de prooi meest direct achter de kop waar de meeste zenuwen lopen, die daardoor verlamd. Er worden ook verteringssappen in de prooi gebracht die de inhoud vloeibaar maakt en voorverteerd. De spin kan alleen vloeistof opnemen en zuigt de prooi later leeg.
Wielwebspinnen en dus ook de kruisspin maken min of meer ronde webben. De kruisspin begint het web met de buitenste ophangdraden. Eerst een horizontale, daarna twee ongeveer verticale en vaak nog een vierde horizontale om een rechthoek te maken. Dan worden vanuit de basis draden aangebracht naar het middelpunt, zoals spaken van een wiel. Die eerste draden zijn niet kleverig. Vanuit het centrum worden spiraalsgewijs de dwarsverbindingen gesponnen. Op deze vangdraden brengt de spin minuscule kleverige druppeltjes aan. Op mistige ochtenden zijn deze druppels goed te zien. De substantie die de zijden draden vormt, stolt zodra deze uit de spintepels is gespoten en wordt sterk en rekbaar als de spin er aan trekt. Als het web stuk gaat dan eet de spin een groot deel weer op, dat spaart energie. De spin laat de belangrijke constructiedraden zitten en kan later snel weer een nieuw web bouwen.
Kruisspinnen komen overal voor, te vinden meestal laag in de vegetatie en onderste takken van bomen, op beschutte plaatsen, ook in tuinen.
Kruisspinnen eten vooral vliegende insecten en dragen daarmee bij aan het evenwicht tussen de soorten. Zelf worden ze gegeten door vogels en belaagd door parasitaire wespen en ook mieren.
Gevangen prooien worden nog wel eens door bijvoorbeeld wespen geroofd. Dat heb ik meerdere keren gezien, de spin laat dit gebeuren en wacht af tot wesp er met de buit vandoor is.
Laat insecten zoveel mogelijk met rust en bestrijd deze niet.
De grootste vijand voor de spinnen is het klimaat.
Tegen hitte, droogte en veel regen zijn spinnen niet goed bestand en ook voor hun voedsel zijn die omstandigheden niet best.

Een aantal jaar tuinierde ik in een “ouder en kind – tuintje” van de gemeente Den Haag, daar mocht je op tuinieren van februari tot november. Dat gebiedje deel- den we onder andere met veenmollen, een diertje die ik tot dan toe niet kende. Als eerste kwam ik achter de vraatver- schijnselen van veenmollen, aan het eind van de middag stond de bloemkool er prachtig bij, de volgende dag helemaal verlept en bleek de hoofdwortel te zijn doorgeknaagd. Lees meer
HERKENNING VOORKOMEN LEVEN VOORTPLANTING In april komen ze uit hun winterslaap. Het mannetje maakt een holletje en gaat in de ingang daarvan, in mei en juni, zit- ten tjirpen, het over elkaar wrijven van de vleugels. Het holletje versterkt het geluid. De paring vindt plaats in het hol letje. Het vrouwtje legt tot 300 eitjes in een speciale kraamkamer, 10 tot 30 cm diep. Zij verzorgt zowel de eitjes, door ze schoon te houden, als de jongen, door ze te beschermen. Ook wordt het nest voorzien van zijgangen die het water af- voeren. Op de plek direct boven het nest worden planten weggeknaagd, zodat het zonlicht warmte kan geven. Na 10 tot 45 dagen komen de eitjes uit, na twee tot drie weken verlaten de nimfen het nest. In de tussentijd eten ze wortels en plan- tresten die in de kamer komen tijdens het schoonmaken ervan door de moeder. Het duurt nog minstens anderhalf jaar voor ze volwassen zijn. Ze overwinteren in die tijd meestal twee keer. In juli en augustus zoeken ze een plek om te overwinteren, ze zitten dan in een verticale gang, wat dieper onder de grond. Veenmollen kun- nen ongeveer twee jaar oud worden. ECOLOGIE Veenmollen zijn zeldzaam geworden. Ze staan nu op de Rode lijst als kwetsbare diersoort en worden via de Flora en Faunawet wettelijk beschermd. Belangrijkste redenen voor de afname van hun leef- gebied is verdroging (ontwateren land- bouwgebied), verstedelijking en modern intensief agrarisch beheer met name voor gebruik van insecticiden. BESCHERMIG MOESTUINPLANTN MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van mei 2021 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.
Later zag ik ook het dier zelf, het groef zich razendsnel in. Pogingen om ze in te halen mislukten alle. Vorig jaar heb ik in na het vallen van de avond een fietstocht gemaakt bij Delft om ze horen zingen, een wonderlijke belevenis!
De veenmol (Gryllotalpa gryllotalpa) is een insect uit de familie veenmollen en wordt ook wel aardkrekel of veldkrekel genoemd, maar is geen familie van de krekels. Mannetjes worden 35 tot 45 millimeter lang, vrouwtjes 45 tot 50 mil limeter. Daarmee is het een van onze allergrootste insecten. Ze hebben korte antennen, de vrouwen hebben geen leg- boor zoals sprinkhanen en krekels.
Veenmollen hebben een gepantserde voorzijde met grote, krachtige voorpoten waaraan opvallende klauwen, een beetje als een mol. De vleugels hebben, als ze in rust zijn gevouwen, iets weg van een doorn op het midden van de rug. De schenen van de voorpoten zijn sterk ver- breed en hebben vingerachtige doorns. Ze hebben een krekelachtig achterlijf met twee uitsteeksels, cerci, de tastorganen.
De naam “veenmol” verwijst naar het veen of de zachte grond waaraan ze de voorkeur geven. Ze leven in veengebieden, vochtige duinvalleien, vooral in het westen van Nederland. En moestuinen met de rijke losse aarde!
De grote sterke voorpoten dienen om snel te graven, want de veenmol leidt een grotendeels ondergronds bestaan. Veenmollen graven een gangenstelsel en zoeken naar voedsel net onder het opper- vlak. Objecten als stenen en stammen worden gebruikt om onder te schuilen. Veenmollen kunnen ook gemakkelijk zowel vooruit als achteruit door hun nauwe gangen lopen, net als echte mollen. Het voedsel bestaat voor een deel uit planten, wortels en blaadjes, maar liefst eten ze dierlijk voedsel, zie bij ecologie.
Veenmollen eten van ondergrondse plantendelen, zoals wortels, maar liefst dier- lijk voedsel. Regenwormen en larven van andere insecten die onder de grond leven en ook vaak aan wortels knagen, zoals de ritnaald (keverlarve) en engerlingen, verder rupsen, poppen, oorwormen en dergelijke. Ze eten ook elkaar wel op. Veenmollen op hun beurt gegeten door gewone mollen, diverse vogels, zoals kip- pen, eksters, kraaien, reigers en spreeu- wen. Verder vossen, egels, spitsmuizen, kevers, padden, kikkers en salamanders. Net als mollen houden ze met hun ge- graaf de grond luchtig.
Veenmollen zijn nuttig en beschermd, maar als je groenten wil kweken en ze wonen in je tuin, dan zijn ze knap lastig. Behalve knagen aan planten kunnen ze met het graven ook net gezette jonge plantjes omwoelen. Er zijn wel mogelijk- heden om je planten te beschermen: zet een stevig, plastic bloempotje zonder bodem rond de stengel van de te beschermen plant. Voor een groter plantbed, graaf rondom planken in tot 20 cm diep en laat een stukje boven de grond uitsteken. Ze houden erg van wortels, je kan ze ook een eigen wortelveldje geven.
Heb je een veenmol gezien? Meld deze (liefst met foto) op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Gaasvliegen
EIGEN ERVARING
Van de week zag ik zo’n prachtige gaasvlieg op de muur van tuinhuis, lekker aan het opwarmen in de zon. Het was de inspiratie om deze maand de gaasvliegen te kiezen. Meervoud want we hebben in Nederland zo’n 20 soorten die niet zo makkelijk van elkaar te onderscheiden zijn.
HERKENNING VOEDSEL VOORTPLANTING ECOLOGIE Heeft u een gaasvlieg gezien? Meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder op Het insect van de maand van de KNNV, daar kunt u eventueel ook reageren.
Lees meer
Gaasvliegen (Crysopidae), horen met bijvoorbeeld de mierenleeuwen bij de orde van Neuroptera of netvleugeligen. Gaasvliegen zijn tere dieren met twee paar, relatief grote, doorzichtige vleugels. De vleugels hebben een mooi patroon van aders, net gaas, vandaar de naam. In rust vouwen ze deze over het lijfje, maar vanwege de doorzichtigheid zie je het lichaam nog goed. Ze hebben grote, ronde, bolle ogen en lange antennen. Ze zijn smal gebouwd en vaak helder groen, soms ook meer bruin of gelig. Ze worden ongeveer 2 cm. Ze zijn vooral actief in de schemering en nacht, maar ook wel overdag aan te treffen. Ondanks de grote vleugels zijn het geen goede vliegers.
De volwassen gaasvliegen zijn omnivoor en eten zowel zachte prooien als ook nectar, stuifmeel en honingdauw. De larven jagen actief op prooien als larven, schild- en bladluizen en mijten. Een larve eet 300 tot 500 bladluizen gedurende de ontwikkeling. Ze hebben lange, gekromde en holle kaken, hiermee wordt de prooi gespietst en worden de lichaamssappen opgezogen. De larve maakt de prooi dus niet fijn en kauwt niet.
Gaasvliegen vinden elkaar door met het achterlijf trillingen te maken. Die geluiden zijn voor elke soort anders. Ook in geuren herkennen aanstaande partners elkaar.
De vrouwen leggen, soms honderden, witte eitjes op een dun steeltje, zo zijn ze moeilijker te bereiken voor een predator. Ze zoekt vaak luisrijke plekken op. De larve is langwerpig, groen tot bruinig, soms met vlekjes en hebben lange haren. Opvallend zijn de grote gebogen kaken. Ze doorlopen drie stadia voor de verpopping. De larven gebruiken de haren om zicht te camoufleren. Tussen de haren worden plantendeeltjes, leeggezogen prooidieren, afgeworpen huidjes en allerlei andere stofjes vastgehouden. De pop zit in een gesponnen, kogelrond wit balletje van ongeveer 5 mm doorsnee. In Nederland kunnen er meerdere generaties in een jaar zijn. Ze overwinteren als pop of als volwassen dier. De volwassen verkleuren naar bruin als het kouder wordt en de stofwisseling wordt vertraagd. Ze kruipen daarna tussen dorre bladeren, schorsspleten of in struikgewas. In de lente verkleuren ze weer naar groen.
Alle dieren die insecten eten lusten ook wel een gaasvlieg. Om zich te verdedigen kunnen ze een stinkende geur afgeven. Omdat ze nachtactief zijn en ook vleermuizen kunnen ontmoeten hebben ze een gehoororgaan ontwikkeld. Dit bevindt zich bij de basis van de voorvleugels. Als er gevaar dreigt houdt de gaasvlieg de vleugels tegen elkaar en zal uit de lucht vallen. De larve die graag luizen eet en daarbij aangevallen wordt door een luizen-beschermende mier, kan die mier tijdelijk uitschakelen. Een afscheiding uit klieren kan de larve overbrengen op de kop en antennen van de mier, die daarna de aanval meteen staakt.
De kamervlieg

ln voorbereiding voor een interview met het thema (brom)vliegen ging ik (Anna Kreffer) te rade bij wat literatuur. Daarin kwam ik een mooie uitspraak tegen die mij inspireerde tot dit ‘beestje van de maand’. In een van de Wetenschappelijke mededelingen K.N.N.V. nr 110 (november 1975) door W.J. Kabos: “Elke natuurstudie moest eigenlijk met vliegen beginnen, want reeds in onze huiskamers kan men de ludieke huisvlieg (Musca domestica) aantreffen ”. Lees meer
LEEFWIJZE VOORTPLANTING MADEN ECOLOGIE MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van juni 2022 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.
HERKENNING
De kamervlieg of huisvlieg (Musca domestica) behoort tot de tweevleugeligen (Diptera) en de familie echte vliegen (Muscidae). Alle insecten hebben in aanleg twee paar vleugels. De diptera hebben maar één paar vleugels, het tweede paar is ontwikkeld als een soort knopspeld, het haltertje. Dat speelt een belangrijke rol bij het vliegen, bijvoorbeeld bij het van richting veranderen in de vlucht.
De kamervlieg is een stevige vlieg, grootte 6 – 8 mm, met drie donkere lengtestrepen op de bovenzijde van het grijze borststuk. Ze hebben rode ogen en van voren gezien een witte kop en zwarte antennen. Vliegen zijn moeilijk te onderscheiden van elkaar, zeker bij de groep waartoe de kamervlieg behoort, de vleugeladering is vaak een belangrijk kenmerk.
Zoals de naam al zegt is de huisvlieg een soort die bij mensen hoort en altijd in de buurt van (verwarmde) bebouwing is te vinden. Ze zijn jaarrond te vinden.
De huisvlieg is een alleseter die leeft van zowel dierlijk (kadavers) als plantaardig voedsel, ook als het beschimmeld of aan het rotten is. Vrijwel al ons voedsel is ook voor de kamervlieg geschikt. Ook bezoeken ze bloemen om het stuifmeel te eten, als eiwitbronMet de monddelen kan de huisvlieg alleen zuigen, een vlieg kan alleen vloeibaar voed- sel tot zich nemen. Ze hebben een slurfachtige zuigsnuit, die in rust tegen de kop zit en uitgestulpt kan worden bij het zuigen. De snuit eindigt in een stempelachtig orgaan. De stempel bevat kleine haartjes die het vloeibare voedsel via capillaire werking omhoog brengen. De vlieg kan vaste stoffen niet direct opnemen, in dat geval wordt speeksel op het voedsel gebracht, waarna het voedsel wordt vermengd en kan worden opgezogen. Voordat het voedsel in het spijsverteringsstelsel terechtkomt, wordt het nog een aantal keer gemengd met speeksel. Dit is te zien doordat de vlieg een druppel uit de monddelen laat vloeien en deze vervolgens weer opzuigt. Vliegen kunnen met hun grote, ronde ogen goed alles rondom hen in de gaten houden. Ze zien niet scherp, maar wel razendsnel, ze verwerken 300 beeldjes per seconde (wij mensen 30). Een vlieg slaan met een mepper (als je het al zou willen) heeft daarom vaak geen resultaat. Heel langzaam benaderen is het advies, dan kunnen ze je niet zien bewegen.
De huisvlieg is onder ideale omstandigheden gedurende de ontwikkeling een van de kortst levende insecten. De vlieg is binnen twee weken volwassen en leeft dan nog 16 tot 24 dagen. De vrouwtjes leven meestal iets langer dan de mannetjes.
Na het ontpoppen duurt het een paar dagen voordat een vlieg kan paren. Een mannetje zit altijd bovenop een vrouwtje en zet zijn stempel-zuigsnuit tussen haar ogen. Het vrouwtje brengt legbuis in de geslachtsope- ning van het mannetje, zo kan bevruchting plaatsvinden.
Het vrouwtje kan wel 900 eitjes leggen, in groepjes in mest, afval, dode dieren en compost. Het zijn witte, langwerpige eitjes van 1,2 mm. Als de omstandigheden goed zijn komen deze al na een dag uit. De larve wordt made genoemd. Ze zijn geelwit van kleur en hebben duidelijke segmenten. Maden hebben een torpedovormig lichaam en een donkere, puntige mond. De achterzijde van de made is breed, er zijn twee bruine vlekjes te zien, hiermee halen ze adem.
Maden hebben geen functionele poten, in hun vochtige leefomgeving kunnen ze zich zonder poten prima voortbewegen. Een pasgeboren made is kleiner dan een millimeter, een volledig ontwikkelde made wordt ongeveer anderhalve centimeter lang. Ze maken drie stadia door, waarna ze verpoppen. De pop is eerst geelwit en verkleurt bij ouder worden naar zwartpaars. De ontwikkelingsduur van de pop is afhankelijk van de temperatuur. Bij een optimale temperatuur in een rottende mesthoop is de ontwikkeling na drie dagen voltooid, bij lagere temperaturen kan dat tot een maand duren. Het omhulsel van de pop bevat een dekseltje dat wordt opengeduwd als de vlieg de pop verlaat. De vlieg laat hiertoe een blaasje opzwellen aan de voorzijde van de kop, dit verdwijnt weer na het uitkomen.
De maden zijn prima verwerkers van dood, organisch materiaal. Zij zorgen voor een goede voedselkringloop. Zo goed als alle insecteneters lusten wel een huisvlieg: spinnen, vogels, kikkers en padden e.d. Er zijn ook specialisten, zoals een sluipwesp die alleen eitjes afzet in poppen van de huisvlieg. Er bestaat een schimmel (Entomophtora muscae) die, eenmaal ontwikkeld in het vliegenlijfje, de gastheer naar de top van een plant stuurt. Daar sterft de vlieg en komt de schimmel tussen de segmenten tevoorschijn. Vanaf de top kunnen de sporen ver uitwaaien. Omdat ze overal op landen en overal van eten kan het zijn dat ze bacteriën of ziektekiemen van viezigheid zoals poep achterlaten op ons voedsel. Goed wegbergen is de boodschap of buiten bewaren onder een vliegenkap. Voorkomen dat ze binnenshuis komen kan met horren en vliegengordijn.
Heb je een kamervlieg gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Gewone pendelvlieg

Elk jaar zijn ze te vinden bij mijn minivijvertjes (ingegraven specie kuipen). Zweefvliegen met een mooie streepjes en bandjes op hun lijfje. Ze zonnen graag op het blad van de waterplanten. Veel activiteit ontplooien ze niet, beetje zitten, rondvliegen en het andere geslacht in de gaten houden.
HERKENNING LEEFWIJZE ECOLOGIE ZWEEFVLIEGHOTEL MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer met foto’s van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van maart 2022 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.
De gewone pendelvlieg (Helophilus pendulus) is een van de zweefvliegen (Syrphidae). Net als andere pendelvliegen heeft de vlieg zwarte en gele lengtestrepen op het borststuk. Lees meer
De gewone pendelvlieg is een algemeen voorkomende soort die vliegt vanaf eind maart tot in oktober. De volwassen vliegen zijn te vinden op bloemen of zitten te zonnen op bladeren, als ze niet rondvliegen om een partner te vinden. Ze houden van vochtige graslanden met enige beschutting (struiken, struwelen, bosrand). Mannen houden er geen territorium op na, tijdens de balts hangen ze stil, zwevend boven een vrouwtje. De paring duurt relatief lang en is in kop-kop houding. Het vrouwtje zet eitjes af vlakbij het water of in modderige plas- sen. De larven leven in en bij het water van vijvertjes, sloten, meren en rivieren. Ook in modderige plassen, dakgoten of natte mest kunnen ze overleven. De larven hebben een adembuis, waarmee ze de zuurstofarme omstandigheden kunnen overleven. Ze voeden zich met afgestorven, organisch materiaal. Pendelvliegen hebben twee en misschien zelfs meer generaties per jaar.
De larven dragen met hun eetpatroon bij aan de kringloop. De larven en de vliegen zijn prooi voor andere insecten en onder andere vogels. Door het bloembezoek van de volwassen dieren, ze halen hun energie uit de nectar en nemen soms een beetje stuifmeel als eiwitbron, spelen ze een belangrijke rol bij de bestuiving van bloe- men en de instandhouding van onze wilde flora.
Alle insecten hebben het zwaar in deze tijd. Wil je ze helpen en zelfs bijdragen aan het volgen van deze mooie diertjes? Bouw dan een zweefvlieghotel!
Heb je een gewone pendelvlieg gezien? Meld deze (liefst met foto) op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
De strontvlieg
EIGEN ERVARING VOORTPLANTING EN VOEDSEL VOORKOMEN EN ECOLOGIE Heeft u een strontvlieg gezien? Maak een foto en meld deze op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder op Het insect van de maand van de KNNV, daar kunt u eventueel ook reageren.
Het zijn imposante vliegen, die mannen, met lange stevige poten, ronde, rode ogen en de gouden bontmantel, maar de naam is niet zo mooi, strontvlieg. Ze vallen goed op en zitten vaak stil, zodat ze echt te bewonderen zijn. Met een beetje geluk zijn ze het hele jaar te vinden.
HERKENNING
De strontvlieg (Scathophaga stercoraria) is een vlieg uit de familie van drekvliegen (Scathophagidae). Lees meer
Strontvliegen paren in de buurt van of zelfs op de mest waar het vrouwtje haar eitjes af wil zetten. Een vrouwtje met onbevruchte eitjes komt op de geur van verse mest af. Ze wordt opgewacht door meerdere mannen, waarvan uiteindelijk één mag paren. Het vrouwtje kan 100 – 150 eitjes leggen. De witte eitjes van 1 mm hebben een soort vleugeltjes, zodat ze niet meteen in de mest weg kunnen zakken en verstikken. De maden komen snel uit en graven zich dan een weg in de mest op zoek naar hun voedsel. Ze eten niet zelf van de mest, maar andere insecten, larven en maden, die in of zelfs van de mest leven. De maden worden tot één cm lang. Ze verpoppen onder of vlak bij de mesthoop in de grond. Binnen een week komt een nieuwe strontvlieg uit de pop. Ze zijn tot laat in het jaar te zien en overwinteren als volwassen dier.
De volwassen dieren leven van nectar en af en toe een insect, vaak een andere vliegensoort, waar ze de steeksnuit insteken en dan leeg zuigen. Volwassen dieren worden twee tot vier maanden oud.
Strontvliegen komen overal voor waar mest te vinden is, ook in parken en tuinen. Nu in onze duinen Hooglanders lopen zijn ze ook daar veel te vinden. Ze komen vooral op rundermest af, misschien omdat andere mest vaak wat droger is. Zelf ken ik ze alleen van rundermest. Als je ze op andere mest hebt gezien hoor ik dat graag! Ze houden vooral van wat koeler weer. In droge zomers zie je ze veel minder.
Strontvliegen maken deel uit van de mestfauna, dieren die van en in de mest leven, vooral vliegen en kevers. De mest wordt door deze dieren snel opgeruimd en daarmee houden ze een mooie kringloop in stand. Deze fauna is erg gevoelig voor allerlei bestrijdingsmiddelen die ons vee krijgt toegediend. Mest van zulke dieren kan dan niet op een natuurlijke wijze worden opgeruimd.
Zelf worden ze gegeten door vogels en amfibieën.
Een bijzondere vijand is een schimmel, Entomophthora muscae die de vlieg parasiteert. Vlak voor de vlieg sterft gaat deze hoog in het gras of een kruid zitten in een soort paar houding. Dan komt de schimmel naar buiten door de zachte delen van het skelet, daar maakt het sporen die makkelijk aan een nieuwsgierig volgend slachtoffer kleven.
Laat het Anna weten als u een strontvlieg op andere mest dan rundermest hebt gezien.
De uienvlieg
Een niet zo welkom diertjeBegin juni vond ik poppen onder een vergeten oud uitje. Ik verzamelde ze in een potje en al vrij snel was er een vlieg uitgekomen, twee dagen later nog meer vliegen. Het is mogelijk hard, maar vrijgelaten heb ik ze niet. Na even zoeken op “poppen / ui” was het zo goed als zeker dat dit uienvliegen zijn. Ze veroorzaken veel overlast bij uien- en preitelers. Lees meer
Google informatie over deze beestjes begint met voorkomen, bestrijden, vernietigen etc. Dat is niet ongewoon bij insecten, maar deze soort gaf wel erg veel sites voor bestrijden. En heel recent verscheen een artikel bij NOS over door de vlieg getroffen telers in Noordoostpolder. Wat ook niet in hun voordeel werkte, het was een ui van de markt, oorsprong, geen idee. Is vrijlaten dan faunavervalsing?
HERKENNING
De uienvlieg, Delia antiqua, is 7 – 8 mm lang. De kleur is geelachtig grijs met vijf donkere strepen op het borststuk. In rustende toestand liggen de vleugels van de vlieg nagenoeg evenwijdig over elkaar. De poten en antennen zijn zwart. De matwitte, langwerpige eitjes zijn 1,5 mm lang met in de lengte lopende strepen. De geelwitte larve is 8 mm lang. De pop is kastanjebruin.
VOORKOMEN
De uienvlieg komt op verschillende Alliumsoorten voor, naast uien ook op prei, een andere naam is ook preivlieg. Ze kunnen heel ver vliegen op zoek naar een waardplant.
LEVEN
De uienvlieg overwintert als pop. De pop is kastanjebruin van kleur en tonvormig, 6 mm lang. Poppen vind je in de grond, maar in mijn geval dus onder de ui. De poppen komen uit in het voorjaar. De verse vliegen worden aangetrokken door vluchtige stoffen die door uien worden geproduceerd. De vrouwelijke vlieg kan 150 – 200 eitjes leggen, zij zet ze af in groepjes haar eieren in groepjes van 15 – 25 daar waar de uienplant uit de grond komt of ook wel in het hart van de plant.
TWEE GENERATIES
De maden, die na ongeveer één week uit de eieren komen, boren zich in de basis van de plant naar binnen. Afhankelijk van de tem- peratuur ontwikkelen de maden zich. Bij 15 C duurt het 45 dagen, bij 30 C duurt de ontwikkeling 17 dagen. De eerste vlucht van de uienvlieg duurt van ongeveer begin mei tot de tweede helft van juni. Na drie weken is de made volwassen en gaat over in het popstadium. Uit slechts een deel van deze poppen komen, na drie weken, vliegen die de tweede vlucht vormen. De anderen blijven in de grond om daar te overwinteren. De tweede generatie duurt van ongeveer begin juli tot en met september. De maden van deze vliegen kunnen ook uien aantasten, maar dit leidt niet meer tot uitval en blijft beperkt tot een aantal aangevreten en daardoor misvormde uien. De vlieg van de tweede generatie zet bij voorkeur haar eieren af op beschadigde bollen in nog op het veld staande gewassen of achtergebleven uien.
ECOLOGIE
Loopkevers en kortschildkevers eten eieren, larven en de poppen. Een parasitaire vlieg, Trybliographa rapae, schijnt het de uienvlieg lastig te kunnen maken.
MELDEN
Heb je een uienvlieg gezien? Of een andere vlieg?
Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van juli 2023 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.
De zweefvlieg

Zweefvliegen in alle soorten en maten zijn goed te herkennen. Het leukste vind ik het stil hangen in de lucht, ze lijken je echt te bestuderen van nabij, voor ze weer weg- flitsen. Ze rusten ook vaak even uit op een blad of halen nectar uit bloemen, dan laten ze zich goed zien. De larven kende ik eigenlijk niet. Ooit nam ik een doorzichtig slakachtig wezentje mee om beter te bekijken. Ik had het geluk dat deze bijna meteen ging verpoppen, want ik wist niet wat het was en wist dus ook niet wat voor voedsel het diertje nodig had. Een week of wat later kwam er een mooi snorzweefvliegje tevoorschijn. Lees meer
HERKENNING Zweefvliegen (Syrphidae) zijn vliegen (korte antennen, één paar vleugels) die de kunst verstaan stil te hangen in de lucht. Als je de vleugeladering goed kan bekijken zie je onder andere de zwevende ader die mogelijk extra stevigheid aan de vleugel geeft, bij andere soorten vliegen ontbreekt deze. Veel soorten lijken op bijen, wespen of hommels, er is een grote variatie, van klein, kaal en zwart tot groot harig met kleuren. Bij de meeste soorten lijken de mannen en vrouwen op elkaar, maar de ogen van de mannen zijn groter en raken elkaar boven op het kopje, bij de vrouwen is er wat ruimte tussen. Beide hebben een korte tong waarmee zij voedsel kunnen opzuigen. Geen van de soorten kan steken of bijten. SOORTEN EN LEEFWIJZE In Nederland komen meer dan 300 soorten voor. Alle soorten leven op land. Behalve in uiterlijk verschillen ze vooral in de leefwijze van de larven. Zweefvliegen maken een vol- ledige gedaante wisseling (metamorfose) door: ei, drie larvenstadia, soms op land, soms in het water, en het volwassen dier (imago). De tijd van ontwikkeling van larve tot imago verschilt nogal, van twee weken tot twee jaar, afhankelijk van omstandig- heden, temperatuur en voedselaanbod. De imago’s leven enkele weken, maar langer als een winter overbrugd moet worden. Sommige soorten hebben één generatie in een jaar, andere soms wel vijf. UITSTEKENDE VLIEGERS De volwassen zweefvliegen kunnen uitstekend en snel vliegen, kilometers maken ze makkelijk, maar ook stilhangen in de lucht. Het kopje blijft daarbij altijd recht. Vooral mannetjes houden zo een gebiedje in de gaten, jagen andere man- netjes weg en houden in de gaten of er een bereid vrouwtje in de buurt komt. De meeste soorten bezoeken bloemen,maar de natuur zou de natuur niet zijn als ze niet zorgt voor uitzonderingen. Bladlopers (zoals Xylota-soorten) eten stuifmeel dat op bladeren is gewaaid of gemorst en likken honing- dauw, afscheiding van luizen. Voortplanting gebeurt alleen na paring, paarhouding verschilt ook per soort, mannetje bovenop een vrouwtje, kopjes dezelfde kant op. De touwtrekhou- ding, kontjes aan elkaar en kopjes tegengesteld. Bij één soort, de hom- melreus, doen ze het buik aan buik en kangt het vrouwtje onder het manne- tje of andersom. Vrouwtjes kunnen hun achterlijf een beetje uitstulpen om daarmee eitjes te leggen, ook hier weer verschillen in de soorten, heel veel eitjes bij elkaar of juist hier en daar een paar. LARVEN Larven van zweefvliegen zijn in vier groepen te verdelen: vleeseters, planteneters en eters van micro-organismen in water of op land. Vleeseters zijn in tuinen geliefd, ze eten vooral luizen, boven en onder de groend, maar er is ook een soort gespecialiseerd in keverlarven. De planteneters hebben het wat moeilijker in verhouding tot de mens, zij leven van wortels en stengels, mineren in bladeren of eten van de bloembollen (narcisvlieg). Larven van bijvliegen leven in, soms vervuild water of gier en hebben een lange adembuis, rattenstaartlarven worden ze genoemd. De landlevende micro organisme eters leven in dood hout. En dan zijn er nog specialisten die van mierenbroed leven of, zoals de stadsreus, in nesten van papierwespen waar hun larven zich voeden met het afval van de wespen. ECOLOGIE Ook zweefvliegen hebben te lijden onder verdroging, vermesting en biotoopvernie- tiging, dezelfde factoren waar al onze flora en fauna onder zucht. Door het bezoek aan planten zijn ze, na wilde bijen, belangrijke bestuivers. Ze zijn prooidier voor spinnen, wespen, parasitaire wespen en ook een schimmel die in vliegen leeft. Mieren zijn vaak luizenhoeders en zullen een luisetende larve proberen te verjagen. Door mimicry, te lijken op vieze of stekende insecten als wespen en bijen, misleiden sommige zweefvliegen vogels. MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van juli 2021 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.
Heb je een zweefvlieg gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Kleine wintervlinder

Op een van Anna’s laatste natuurwandelingen op Buitenplaats Leyduin in Noord-Holland zag ik deze soort heel veel, ook vrouwtjes wat ik best bijzonder vind. Daarom is de kleine wintervlinder de eerste soort van het nieuwe jaar. Ook in onze streken komen ze nog veel voor. HERKENNING LEEFWIJZE ECOLOGIE MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van januari 2022 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel.
Ze zijn aan het eind van hun vliegtijd, maar de kans dat je de komende tijd één gaat zien is goed mogelijk. De vlinders zelf zijn niet zo groot, de naam zegt al wat, en kleurig zijn ze ook niet, dus wel goed kijken! Lees meer
De kleine wintervlinder (Operophtera bru- mata) hoort bij de spanners, nachtvlinders waarvan de rupsen zich als een takje kunnen spannen. Ze houden zich vast aan een tak met de achterste poten en spannen het lijfje schuin van de tak af. De mannetjes van de kleine wintervlinder zijn 13 – 16 mm groot, hebben grijsbruine vleugels waarover meerdere bruine dwarsbanden lopen. Deze zijn soms niet zo goed te zien. De vrouwtjes hebben alleen vleugelstompjes en kunnen niet vliegen.
De vliegtijd loop van oktober tot januari. Ze ontpoppen na de eerste nachtvorsten en vliegen vooral in de avondschemering en bij vochtig weer. De vrouwtjes kruipen op boomstammen en takken en wachten daar op bevruchting.
Een paring kan een paar uur duren. Een enkele keer neemt een mannetje een vrouwtje tijdens de paring mee op een vlucht. Daarna kruipt het vrouwtje naar de top van de boom om daar, verspreid over verschillende bladknoppen eitjes te leggen. In het vroege voorjaar komen de eerste rupsen uit. Ze eten jong blad van loofbomen en eiken.
Als ze net uitkomen eten de rupsen het zachte, hele jonge blad. Ze groeien met de bladeren mee die groter en steviger worden. De rupsen vervellen en worden ook groter zodat ze ook steviger blad aankunnen. Bij gevaar of voedselgebrek kunnen ze een draad aanmaken en daarmee door de wind naar een andere plek vervoerd worden.
Half juni laten de rupsen zich aan een draad naar de bodem zaken en kruipen in de strooisellaag weg om in een cocon te ver- poppen. De mannetjes ontpoppen vaak als eerste. Zij vliegen al rond als de vrouwtjes uitkomen en de bomen in kruipen.
De kleine wintervlinder drinkt geen nectar en eet niet maar teert op de reserves die in het rupsenstadium zijn aangemaakt.
Bij heel veel rupsen op één boom kunnen ze deze bijna kaal eten. Bijna altijd loopt de boom weer uit als de rupsen volgroeid zijn. De kleine wintervlinder is een van de vlinders die in het voorjaar ervoor zorgen dat vogels als koolmezen voldoende voedsel vinden om de jongen groot te krijgen.
Heb je een wintervlinder gezien? Meld deze (liefst met foto) op waarneming.nl of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
De Sneeuwvlo
Helaas heb ik nog nooit een sneeuwvlo gezien, wel is het een van mijn “wens” diertjes. In Meijendel zijn ze een paar jaar geleden gevonden, zou toch mooi zijn te weten dat ze er nog steeds zijn of dat we meer plekken vinden in onze eigen omgeving. Lees meer
HERKENNING De sneeuwvlo (Boreus hyemalis) of sneeuwspringer, hoort bij de orde van de schorpioenvliegen (Mecoptera). Gewone vlooien stammen af van deze orde. VOORKOMEN Ze komen voor in open gebieden met kale of weinig begroeide plekken, open bossen, maar ook stuifzand, duinen en heide. Ze leven tussenen op mossen, struikhei, in vegetaties met cladonia’s, ruig haarmos of zandhaarmos en buntgras. In bosgebied zijn ze gevonden op plekken met veel gewoon rimpelmos. In Wageningen zijn ze gevonden op mos op een omgevallen boom, soort mos is niet bekend. Het meest worden ze gezien in het midden en zuiden van ons land en dus ook een keer in Meijendel. LEEFWIJZE Sneeuwvlooien zijn winteractief, van half oktober tot in februari zijn ze te vinden. Waar de meeste andere insecten schuilen voor de kou of overwinteren als ei, larf of pop, gaan sneeuwvlooien juist dan op zoek naar een partner. Zij bezitten een soort antivries in hun lijfjes en zijn zwart, zodat als de zon schijnt ze ook snel warm zijn. Melden Heb je een sneeuwvlo gezien? Meld dit (liefst met goede foto’s) op waarneming.nl. Als je zelf geen account hebt ga dan naar: https://waarneming.nl/user/profile/8433 En klik op invoeren => waarneming. Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van december 2021 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook de eigen ervaring van Anna lezen en eventueel reageren op dit artikel. We hebben helaas geen eigen foto’s van de Sneeuwvlo.
Wat betreft uiterlijk lijken ze op de schorpioenvliegen, die we in de zomer zien, maar zijn veel kleiner, 4 mm. Ze hebben een spitse snuit, grote ogen, lange poten en antennen en een puntig lijf. De vrouwtjes hebben geen vleugels, de mannetjes alleen vleugelstompjes.
Sneeuwvlooien vliegen niet maar kunnen wel heel goed springen, ze halen 20 cm. Ook als er echt sneeuw ligt, komen ze goed vooruit.
Een paring kan enkele dagen duren.
Bij het paren kan het mannetje zijn vleugelstompjes gebruiken om het vrouwtje vast te pakken.
Volwassen dieren eten mos en dierlijk afval. De larven leven in de grond en houden juist van warmte, voor hun ontwikkeling hebben ze in de zomer hoge temperaturen nodig, voorkeurstemperatuur is 33°C.
De larven eten van de rhizoïden van ruig haarmos, zandhaarmos en mogelijk gewoon rimpelmos. Rhizoïden zijn de “draadjes” waarmee mossen zich hechten aan de ondergrond.
Niet alle mossen hebben rhizoïden of alleen hele kleine, dat mos valt dan af als moge- lijke voedselbron. De larven hebben twee seizoenen nodig om volwassen te worden. Ze overzomeren eerst als larve en daarna als pre-pop, om dan in september of oktober van het tweede jaar te verpoppen. Als ze net uit de pop komen zijn ze gelig van kleur en schijnen dan beter op te vallen.
Op waarneming.nl zijn verschillende aardige plaatjes te vinden:
https://waarneming.nl/species/27246/ photos/?
Wespen Wonder Wereld

WWW: deze drie W’s staan voor Wereld Wijd Web, onze digitale verbinding met de wereld. In dit “Jaar van de Wesp” geef ik er graag een andere invulling aan: Wespen Wonder Wereld. Angeldragers Bijen
Er zijn zoveel soorten wespen, met verschillende levenswijzen, bijzondere eigenschappen en aanpassingen aan de omgeving. Elke wespensoort roept bij nadere kennismaking verwondering op. Verwondering die hopelijk bijdraagt aan waardering en daarmee aan bezorgdheid om hun voortbestaan en bescherming. Lees meer
5000 Soorten
De orde van wespachtigen, vliesvleugeligen of Hymenoptera heeft in Nederland 57 families en ongeveer 5000 soorten. Zij hebben alle twee paar dunne, doorzichtige, vliesachtige vleugels. De orde is verdeeld in drie groepen: bladwespen (Symphyta), sluipwespen (Parasitica) en de angeldragers (Aculeata). Bladwespen missen de wespentaille en hebben een legboor waarmee zij planten aanprikken en daarin hun eitjes afzetten. Bij sluipwespen is de legboor verworden tot een orgaan om eitjes in of op een insect af te zetten en als een injectienaald te gebruiken om verdovende middelen in te brengen. Bij de angeldragers, waaronder bijen en mieren, is de legbuis omgevormd tot steekwapen en heeft een klier die gif produceert. Vrouwen wespachtigen bewaren ontvangen zaad van mannen in een zaadblaas. Zij bepaalt of een eitje dat daarlangs gaat wel of niet zaad ontvangt. Niet bevruchte eitjes (zonder zaad) zijn altijd mannelijk.
Bladwespen
In Nederland leven net meer dan 500 soorten bladwespen. De beetje plompe en weerloze wespen zijn gebonden aan planten: hout, gras, blad, kruid en knop of vruchten. De larven lijken op rupsen van vlinders, maar hebben aan elk segment één paar poten. De rupsen van vlinders hebben maar maximaal vier paar pootjes. We noemen deze larven bastaardrupsen, ze leven ook vaak in een groep. Bij verdediging krullen ze zich op of gaan met het achterlijf zwaaien. Bij een aantal soorten bezitten de larven geen poten en zien eruit als een soort slakjes. Houtwespen (Siricidae) hebben een stevige legboor om eitjes af te zetten in hout, daarbij brengen ze ook een schimmel in, de larven kunnen anders het hout niet verteren.
Sluipwespen
De sluipwespen hebben verreweg de meeste vertegenwoordigers, zo’n 2700 soorten. In grootte en leefwijze lopen ze sterk uiteen. De kleinsten halen nog geen millimeter, de grootste drie centimeter. De allerkleinsten spelen een grote rol in het reguleren van populaties van veel insecten, zoals bladluizen. Sluipwespen “besluipen” hun prooi en leggen een ei erop of in. Alle larven zijn pootloos. De larven voeden zich met de inhoud van de gastvrouw of gastheer, die pas sterft als deze van binnenuit is leeggegeten. Het zijn dan ook geen parasieten, die houden de gastheer in leven, maar predatoren ofwel parasitoïden. De volwassen insecten bezoeken bloemen om zich te voeden of doden een ander insect om het lichaamsvocht te drinken.
Galwespen
Een speciale, vegetarische, plantgebonden groep zijn de wespen die gallen op planten veroorzaken, in de gallen leven de larven. Deze groep heeft een fascinerende levenswijze, met afwisselende generaties vrouwen en mannen en dan weer vrouwen, die ook andere gallen veroorzaken.
Alle angeldragers, mieren, wespen en bijen kennen broedzorg, sommige leven zelfs in staten/volken met een taakverdeling. In een volk legt een koningin eieren, werksters verzorgen het broed en bouwen het nest uit. Mannen spelen daar geen rol, maar zijn wel nodig voor bevruchting – zonder zaad bij de eieren, ontstaan er geen vrouwtjes. Ook solitair levende angeldragers, zoals de metselbij, hebben broedzorg. De vrouwen leggen eitjes en zorgen voor het voedsel voor de larven. Alle larven van deze soorten zijn afhankelijk van de broedzorg, ze lijken wat op maden, zijn pootloos en hebben zwak ontwikkelde monddelen. Volwassen exemplaren voeden zich meest met nectar, ze zijn daarom van belang als bestuivers. Ook honingdauw en rijp fruit worden soms gegeten. De meest bekende angeldragers zijn limonadewespen (beestje van vorige maand), bijen en mieren.
Mieren
Bij mieren zijn de vliesachtige vleugels alleen bij de bruidsvluchten te zien. In die fase hebben mannen en koninginnen vleugels, na de paring gaan mieren ondergronds leven en zijn vleugels tot last, ze worden verwijderd.
Wespen
De wespen van deze groep voeden hun larven met vlees, veelal van insecten.
Bijen zijn angeldragende wespachtigen, die in de loop van de evolutie vegetariërs zijn geworden, hun larven leven van stuifmeel en nectar. De voedselvoorraden die ontstaan door de broedzorg zijn aantrekkelijk voor andere dieren en lokken diefstal en misbruik uit. Meerdere wespen en bijen maken gebruik van arbeid van hun soortgenoten. Koekoeksbijen, koekoekspinnendoders en goudwespen zijn daar voorbeelden van.
Melden
Heb je een wesp(achtige), bij of mier gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Dit artikel van Anna Kreffer met foto’s van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van februari 2024 van de KNNV afdeling Den Haag.
gewone wespWespen, daar was ik in mijn jeugd bang voor. Geleerd dat je stil moest zitten als een wesp dichtbij kwam, was ik getuige dat zo’n diertje een stukje uit de lip van mijn broer beet -bloed! Een andere keer kwam een wesp, een paar keer, kleine rondjes knagen uit boterhamworst op een boterham, dat was wel fascinerend. Wespen in het klas- lokaal, maakten mij het opletten verder onmogelijk, zo bang was ik gestoken te worden. Bang ben ik nu niet meer, maar, ze zijn wel felle verdedigers van hun nest. In mijn aardbeienbed en later boven mijn tuindeur, daar heb ik nesten laten weghalen. Een nest in de klimop aan de achterkant van mijn tuinhuisje heb ik laten zitten. Eind zomer merkte een tuinbuurman op dat er dit jaar wel heel veel wespen waren… Lees meer
HERKENNEN
De gewone wesp, Vespula vulgaris, ook wel limonadewesp, is een wesp uit de familie van de plooivleugelwespen, Vespidae. Ze zijn 17 – 20 mm lang en is zwart / geel gekleurd. Ze horen ook tot de papierwespen, wespen die hun nesten bouwen van fijngekauwd houtig materiaal, zijn onder- scheiden zich door de tekening voor op de kop. De gewone wesp heeft daar een zwart “anker” op een gele ondergrond. Mannen en vrouwen zien er hetzelfde uit, maar mannen hebben één antennelid (13) meer dan vrou- wen (12). Mannen hebben ook geen angel en kunnen niet steken. De angel is ontstaan uit de legboor, mannen leggen geen eieren en hadden dus nooit een legboor.
LEEFWIJZE
De koningin, een bevruchte vrouw die de winter overleeft, komt in het nieuwe jaar uit winterrust. In gunstige omstandigheden kan dat al in januari zijn. De wespen overwinte ren op een beschutte plek, soms binnenhuis. Eengin is wat groter dan een gewone vrouw of man ‘gewone wesp”. De koningin zoekt een geschikte plaats voor een nest: een verlaten hol in de grond, een verscholen plek in vegetatie, soms ook een vogelhuisje of spouwmuur. De koningin bouwt een nest van “papier”, gekauwd hout, met prachtige, regelma tige cellen. Ze verzorgt de eerste larven zelf, deze worden haar latere werksters. De eerste lichting larven groeien na ongeveer een maand uit tot onvruchtbare werksters en gaan de koningin helpen het nest verder uit te bouwen en de nieuwe larven te voor- zien van voeding. De koningin houdt zich dan alleen nog bezig met het leggen van eitjes. In augustus worden eitjes gelegd, waarvan de larven uitgroeien tot mannelijke wespen (darren) en kort daarna eitjes waarvan de larven uitgroeien tot vrouwelijke wespen maar dan wel vruchtbaar. Vaak sterven de darren vrij snel nadat ze vrouwtjes bevrucht hebben. De oude koningin en de onvruchtbare vrouwtjes (werksters) sterven nu allemaal en de bevruchte koninginnen zoeken een goede overwinteringsplaats om zo een nieuwe cyclus te starten.
TAKEN WERKSTERS
Zodra de nieuwe werksters verpopt zijn, verblijven ze eerst nog enige tijd in het nest. Ze worden dan gevoerd door oudere werk- sters en ze eten van het voedzame speek- sel dat de larven afscheiden. Na verloop van tijd gaan ze helpen bij het fijnkauwen (voorkauwen) van het vlees dat door andere werksters wordt binnengebracht. Ze voeren het vervolgens aan de jongen. Na enige tijd vliegen ze uit. De eerste vijftien dagen verzamelen ze vooral houtpulp waarmee het nest hersteld en/of uitgebouwd kan worden. Na een dag tien leggen ze zich meer toe op het jagen op insecten en spinnen. Rond dag twintig besteden ze een kwart van hun vluchten aan de jacht. Als ze ouder worden, leggen ze zich meer en meer toe op het verzamelen van vocht. Werksters van een maand oud verlaten het nest vrijwel niet meer en verblijven bij de ingang om het nest te bewaken.
VOEDSEL
Rupsen zijn een geliefde prooi, van andere insecten is vooral het borststuk in trek, daar zitten de voedzame spieren. De werksters knagen liefst alle overbodige delen af alvorens de buit naar het nest te vervoeren. Daar wordt er verder gekauwd tot een papje dat de larven makkelijk op kunnen nemen. Als dank krijgen de werksters het suiker- rijke speeksel met de energie om te vliegen van de larven terug. Ook bloemen worden wel bezocht vanwege de nectar, bijzonder is dat wespen bloemensoorten bezoeken die nectar produceren met een hogere aminozurenconcentratie dan vlinders, vliegen en bijen. Overlast van deze wespen ontstaat aan het eind van de zomer, geen nieuwe larven, geen speeksel. De werksters gaan met pensioen en gaan op zoek naar zoetigheid: nectar van bijvoorbeeld laatbloeiende plan- ten als klimop, rijp of overrijp fruit is ook populair. Ook menseneten of -drinken is in die tijd aantrekkelijk en dan ervaren “we” overlast. Het hele jaar hebben ze ons geholpen om muggen, vliegen en andere verve- lende beestjes weg te vangen, is het dan nu niet tijd om ze wat te gunnen van onze welvaart?
ECOLOGIE
Wespen zijn belangrijk in de kringloop. Om de larven in het nest te voeden, vangen de werksters o.a. vliegen en muggen. Een nest van 6.000 wespen kan zo in één week een half miljoen vliegen en zo’n 130.000 muggen vangen. Maar wespen fungeren ook als een soort natuurlijke opruimingsdienst. Kadavers van kleine zoogdieren, amfibieën en vogels worden in stukjes gebeten en gevoederd aan de larven. Een aantal zweefvliegen is afhankelijk van wespennesten. Zo legt de stadsreus haar eitjes in wespennesten en voeden de larven zich met dode wespen en uitwerpselen.
MELDEN
Heb je een gewone wesp gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Dit artikel van Anna Kreffer met foto’s van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van januari 2024 van de KNNV afdeling Den Haag.
Galwespen en de lensgalwesp MeldenGallen
De vreemde vergroeiingen op planten vallen vaak op. Veel organismen kunnen gallen veroorzaken schimmels, mijten, bladluizen, kevers, vliegen, galmuggen etc. Maar de meest interessante groep zijn wel de galwespen. Zij veroorzaken niet alleen gallen, maar per soort soms ook twee verschillende soorten gallen. Het zijn kleine dieren met een ingewikkelde levensloop. Lees meer
Galwespen
Sluipwespen (Parasitica) zijn een grote orde binnen de vliesvleugeligen (Hymenoptera). Galwespen (Cynipoidea) behoren bij de sluipwespen, maar leven niet parasitair, de larven grazen plantencellen in het binnenste van een zelfveroorzaakte gal. Vooral op eik leven vele soorten galwespen. Met hun legboor leggen vrouwen galwesp een eitje in de plant. De larve zorgt voor galvorming, waarbinnen ze min of meer veilig kan verblijven. De binnenkant van een gal heeft voedzame plantencellen, die de larve kan eten. De larven lijken wat op maden, ze hebben een kleine kop en pootloos lichaam. Ze poepen pas net voor de verpopping, zo houden ze de larvenkamer schoon. Alle galwespen zien er zo’n beetje hetzelfde uit. Ze zijn glanzend roodbruin of zwart met goed ontwikkelde vleugels. Antennen hebben maximaal 16 segmenten. Vrouwtjes hebben een zijdelings samengedrukt achterlijf en een hoog, gebocheld borststuk, ze worden over het algemeen iets groter dan mannetjes. Zien de wespen er hetzelfde uit, de gallen die ze veroorzaken zijn vaak heel karakteristiek voor de soort.
Agame en seksuele generaties
Galwespen op eik hebben vaak twee generaties in een jaar: een seksuele of geslachtelijke generatie met mannen en vrouwen, gevolgd door een aseksuele of agame of ongeslachtelijke generatie met alleen vrouwen. De seksuele generatie vliegt vaak in het voorjaar, de aseksuele in de zomer of herfst.
Inquilinen
De natuur zou de natuur niet zijn als ook galwespen hun belagers hebben. Een speciaal soort zijn de inquilinen. Dat zijn galwespen die het vermogen tot galvorming zijn verloren en daarom bij andere galwespen gaan buurten. Ze kunnen in een gal van een andere wesp kamertjes voor een eigen larf veroorzaken, vaak in het buitenste galweefsel van de oorspronkelijke gal. Ze kunnen zo de grootte en vorm van een gal veranderen. De oorspronkelijke larve wordt soms gedood met de legboor of komt om door de groeiende kamers van de inquiline.
Lensgalwesp
Volwassen lensgalwespen zijn zwart van kleur. Het voorlichaam is donkerder dan het achterlijf, dat aan de zijkanten is afgeplat. Ze hebben gele poten en transparante vleugels met verminderde adering. De agame en de seksuele generatie verschilt niet veel in grootte, ze hebben een lengte van 2,52,9 mm. De lensgalwesp, Neuroterus quercusbaccarum is een van de galwespen op eik waarvan de gallen, zeker in de herfst veel gezien worden. Deze herfstgallen zien eruit als gelige platronde bolletjes, oudere gallen worden rood van kleur, ze zitten aan de onderkant van bladeren van zomereik. Aan de bovenzijde van het blad zijn de aanhechtingspunten van deze gallen te herkennen aan kleine gele stippen.
Overwinteren
Er woont een enkele larve in elke gal. In de herfst vallen deze gallen van het blad af, eerder dan het blad van de boom valt. De larven overwinteren in en ontwikkelen zich verder in de afgevallen gal. Gallen die niet van het blad afvallen verdrogen en komen niet meer uit. Vanaf maart komen de volwassen vrouwtjes uit deze lensgalletjes. Het is de agame of vrouwelijke generatie! Ze kunnen tot in mei gevonden worden. Deze vrouwtjes zorgen voor ronde besgalletjes in de meeldraden en op de bladeren, deze zijn 5 tot 7 mm groot. De gallen zijn te vinden vanaf mei. Ze zijn eerst groen van kleur en later rood tot bruin. Uit deze gallen komt de seksuele generatie, dus mannen én vrouwen. Deze wespen zijn te vinden van juni tot augustus. De vrouwen zorgen daarna weer voor een nieuwe lichting lensgallen op de onderkant van eikenbladeren.
Heb je een gal of galwesp gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Dit artikel van Anna Kreffer met foto’s van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van maart 2024 van de KNNV afdeling Den Haag.
harkwesp MeldenDe harkwesp, Bembix rostrata, is een grote, opvallende graafwesp die op warme dagen op open plekken in de duinen te zien is: harkwespen worden pas actief bij zon of een temperatuur van 22 graden. Maar ook op een braakliggend terrein in het centrum van Noordwijk-binnen heb ik de wesp gespot. Het dier heeft een lichaamstemperatuur van 36 graden nodig om te kunnen vliegen. Lees meer
Herkennen
Harkwespen kunnen tot 25 mm lang worden. De strepen op het achterlijf maken een zigzagpatroon, wat determinatie simpel maakt. Verder heeft het beestje een opvallend verlengde bovenlip en een lange tong, waarmee het nectar uit smalle diepe bloemen zoals jakobskruiskruid kan zuigen. Bembix rostrata is de enige vertegenwoordiger van het geslacht in Nederland, de meeste soorten van het geslacht Bembix zijn te vinden in Afrika en Australië. Het geslacht Bembix is ingedeeld bij de graafwespen of Crabronidae. Bembix rostrata is aan te treffen van Noord-Afrika tot in Zuid-Zweden en in het Oosten Mongolië.
Leefwijze
Als echte graafwespen, graven beide seksen een hol op warme, kale plekken in zand. Zij graven met de voorpoten. Hierbij gooien zij het zand ver weg. Het vrouwtje maakt gang met één kamer voor larve en één kamer voor haar zelf om in te slapen. Als vrouwtjes hun nest verlaten voor de jacht, sluiten zij de holletjes netjes af. De mannetjes graven ook een holletje voor zichzelf om in te slapen. Zij zijn slordiger dan de dames, ze nemen niet de moeite om hun holletjes af te sluiten bij vertrek. De wespen vinden hun hol terug door zicht. Harkwespen zijn zoals veel graafwespen solitair, maar houden wel van gezelligheid: nesten liggen dicht bij elkaar. Ondanks hun uitstekende vliegvermogen blijven harkwespen trouw aan hun broedplek.
Voedsel
Harkwespen hebben een voorkeur voor zweefvliegen behorende tot de Syrphidae, maar als dat zo uitkomt, grijpen zij andere vliegen. Zij houden de verdoofde vlieg ondersteboven onder hun lichaam en vliegen zo naar hun hol. De imago’s nuttigen nectar uit bloemen. Ze zijn niet kieskeurig, af en toe vangen zij voor zichzelf een vlieg.
Opmerkelijke broedzorg
Harkwespen verzorgen hun jongen intensief. Het vrouwtje legt haar ei op een kleine ‘eivlieg’. Dit ei is 5,5-6,5 mm groot! De eerste week groeit larfje als kool, het consumeert zo’n 25-40 vliegen. Na een week stevig dooreten spint het een cocon. Daar is zij twee dagen mee bezig en gaat dan in winterrust. Zij voltooit de gedaanteverwiseling pas in het voorjaar. De vrouwtjes houden de opgroeiende larfjes goed in de gaten, zij voederen op tijd bij en passen het formaat van de prooien aan de ontwikkeling van het jong. Uiteindelijk is de moeder 11-13 dagen bezig met het grootrengen van één larf. Zij verzorgt meestal één, soms twee larven tegelijkertijd. In haar leven brengt een vrouwtje slechts 4-6 jongen groot. Een bijzonder laag aantal voor een insect. Dit maakt deze dieren kwetsbaar voor vertrappen van de nesten door vee of mensen.
Parasieten
Harkwespen worden belaagd door parasiaire vliegen. Dit zijn veelal dambordvliegen, Sarcophagidae. Dambordvliegen wachten de vrouwtjes op en leggen stiekem eitjes op de prooi, voordat de wesp met prooi en vliegeneitjes in haar hol verdwijnt. Maar ook blaaskopvliegen, Conopidae, vallen de harkwespen lastig.
De harkwesp is een bijzonder dier dat bescherming verdient.
Heb je een harkwesp gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als je zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Dit artikel van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van oktober 2024 van de KNNV afdeling Den Haag.
helmhuidbladwespVeel bladwespen zijn zwart en weinig opvallend, maar de helmkruidbladwesp is een grote, mooie soort met ook nog een klassiek wespachtig uiterlijk, zwart en geel gestreept. Tijdens een wandeling in het weekend zagen we knopig helmkruid, bijna kaal, met zeker twintig larven van deze bladwesp. Lees meer
Herkenning
De helmkruidbladwesp, Tenthredo scrophulariae hoort net als wespen, bijen en mieren bij de vliesvleugeligen, Hymenoptera. Het is een grote, lang- werpige bladwesp, tot 14 mm, zwart met op het achterlijf gele banden. De gele banden kunnen variëren in breedte. De poten zijn deels geel, de antennen meer oranje. De vleugelranden zijn ook oranje en eindigen in een stukje grijs/zwart. In tegenstelling tot de “echte” wespen heeft een bladwesp geen wespentaille. De larven zijn wit met zwarte stippen en hebben een zwarte kop.
Voorkomen en vliegtijd|
De larven van helmkruidbladwespen kunnen alleen leven van planten van de helmkruidfamilie, de helmkruiden en ook vlinderstruik en toortsen. De larven komen in het voorjaar uit hun ei en zijn vanwege de grootte vooral in augustus en september te vinden. De volwassen dieren vliegen van mei tot half oktober. Augustus is de top- maand, maar in een warme september zijn zij zeker nog te vinden. Ze komen in heel het land voor, vaak langs bosranden en -paden.
Leefwijze
Bladwespen, Symphyta, hebben een zaag, een afgeplatte legbuis, die in een tweedelige schede zit. Ze worden daarom ook wel zaagwespen genoemd. In de herfst zetten zij de eitjes af op een waardplant. Met het zaagje maken zij een opening in nerf of blad waarin het eitje wordt gelegd. Ze over- winteren als ei, in het voorjaar komen de larfjes uit. De larven van alle soorten bladwespen lijken op rupsen, maar hebben veel meer pootjes dan de echte vlinderrupsen. Ze worden ook wel bastaardrupsen genoemd. De larve van de helmkruidbladwesp heeft 22 pootjes. De larven kunnen ook overwinteren. De volwassen dieren zijn jagers en eten vliegjes en andere kleine insecten. Ze halen nectar en stuifmeel van schermbloemigen.
Ecologie
Verschillende soorten sluipwespen parasiteren op de larven van de helmkruidbladwesp. De imago’s jagen zelf op kleine insecten.
Melden
Heb je een (helmkruid)bladwesp gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Dit artikel van Anna Kreffer met foto van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van september 2024 van de KNNV afdeling Den Haag.
De wespenkoningin HERKENNING LEEFWIJZE MELDEN Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van februari 2023 van de KNNV afdeling Den Haag. Fien Aleman laat mij weten dat zij op zaterdag 21 januari 2023 een dode wesp gevonden heeft op haar vensterbank, ze woont op de zesde verdieping. Het is een grote wesp, waarschijnlijk een koningin, een soort supermoeder. In andere omstandigheden zou deze wesp aan het hoofd staan van een nieuwe generatie “sociale” wespen. Lees meer
Sociale wespen (Vespidae) zijn het voorbeeld van wat mensen zich voorstellen bij “de wesp”. Het zijn weinig behaarde wespen. Ze hebben een donker borststuk met enkele gele vlekken en een achterlijf met gele en donkere strepen en vlekken. Borststuk en achterlijf zijn verbonden met een heel smal deel, een wespentaille. De soorten zijn te herkennen aan het gezicht, de voorkant van de kop, vaak is dat de gewone wesp (Vespula vulgaris) of Duitse wesp (Vespula ger- manica). De koninginnen zijn groter dan de werksters en mannen die beide pas later in het jaar te zien zijn. Ze worden tot 20 mm groot, werksters blijven 10 – 15 mm. De koninginnen zijn alleen vroeg in het jaar of eind zomer of najaar te zien. In de tussentijd wonen ze in het nest en komen niet meer buiten.
Eerder heb ik geschreven over de sociale wesp, ook wel limonade of papierwesp. Nu alleen wat over de koningin. Zij is in het vroege voorjaar te zien, dan wordt zij wakker uit de winterrust en gaat op zoek naar een plek voor een nieuwe kolonie. Als ze door warmte te vroeg ontwaakt, is de kans op dat er een nieuw gezond nest gemaakt kan worden niet zo groot. Een koningin is een bevruchte vrouw die een nieuwe kolonie kan starten. In het voorjaar zoekt ze een plek, bijvoorbeeld in de grond, in een holte in een boom, nestkastje of andere plek. Ze bouwt van “papier” , fijngekauwd hout of plantmateriaal een nest met kleine kamertjes. In de kamertjes legt ze een ei en verzorgt de eerste larven zelf, dat worden werksters. Zodra er genoeg werksters zijn, dan legt ze alleen nog nieuwe eitjes. De werksters verzorgen de nieuwe larven, de koningin en bouwen verder aan het nest.
Een kolonie kan uitgroeien tot duizenden wespen. Aan het eind van het seizoen legt de koningin eitjes waarvan de larven mannen en nieuwe koninginnen worden. Mannen dienen alleen ter bevruchting van een potentiële koningin. Hierna worden de werksters werkeloos en komen ze, omdat ze geen voedsel van de larven meer krijgen, op onze zoetigheid af. Vandaar dat zij ook limonadewespen worden genoemd. Ze zullen allen spoedig sterven, net als de mannen en de oude koningin. Een nieuwe koningin zoekt een verblijf om in winterrust te gaan. De mannen en alle werksters sterven.
ECOLOGIE
Sociale wespen zijn ontzettend belangrijk. De larven worden gevoed met “vlees” van voornamelijk andere insecten. Zij nemen de proteïnen op om te groeien en geven de koolhydraten terug aan de werksters. Werksters hebben veel energie nodig om te vliegen. Wespen vangen dus heel wat insecten weg, óók die waar mensen last van hebben. Ze houden het evenwicht en de diversiteit in stand, zij zijn onmisbaar.
BEDREIGING
Naast het verlies van leefomgeving, achteruitgang van de aantallen insecten zijn er de Klimaatproblemen. Als de koninginnen te vroeg in het jaar wakker worden kunnen ze geen nieuwe kolonie beginnen, het benodigde voedsel ontbreekt nog. Als ze wel goed kunnen starten, maar het is daarna te koud of te nat, dan is er ook weinig hoop op succes.
Heb je een wesp of wespenkoningin gezien?
Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
De kaakwesp

Een Europese kaakwesp heb ik nooit gezien, het heeft zo’n interessante levensstrategie dat het wel eens beestje van de maand mag zijn. Lees meer
Melden
Herkenning
De Europese kaakwesp, Pseudogonalos hahnii, hoort bij de familie Trigonalidae en is de enige soort hiervan in deze familie. De grootte is 6,4 – 11,7 mm, vrouwen en mannen gelijk. Ze hebben een stevige kop met stevige, grote, asymmetrische kaken, links drie en rechts vier tanden. Lange antennen, slank lichaam, donkere vlek in de voorvleugel en een uitgebreide vleugeladering. De wesp is glimmend zwart, bruinige antennen, de tanden van de kaken roodbruin, poten donker roodbruin tot zwart. De vrouwen hebben een kleine, gereduceerde legboor.
Voorkomen en vliegtijd
Kaakwespen lijken in het hele land voor te komen maar minder in het westen en noorden van het land. Ze zijn te vinden in stedelijk gebied op struikgewas in tuinen, vooral haagliguster, maar ook in bermen, weiland en meer en zowel in droge als natte habitat. Ze vliegen van eind mei tot eind augustus.
Leefwijze
De Europese kaakwesp is een van de vele soorten sluipwespen, een parasitoïde, ze planten zich voort door een in of bij de gastheer (of -vrouw natuurlijk) een ei te leggen. De wespenlarve eet de uitverkorene van binnenuit op. De meeste sluipwespen doen veel moeite om een gastinsect te vinden en leggen dan één ei. Zo niet de Europese kaakwesp en verwanten in het buitenland. Deze leggen juist duizenden eitjes in een geschikt habitat waar de (primaire) gastheer kan voorkomen. Ze worden afgezet aan de onderkant en rand van bladeren van allerlei planten. Bladetende rupsen van vlinders of larven van bladwespen krijgen zo een eitje of eitjes binnen. Als de wespenlarve uitkomt boort het door de darmwand van de gastheer heen en gaat op zoek naar de larve van een parasitaire sluipwesp of sluipvlieg, de secundaire gastheer.
Hyperparasitoïde
De kaakwesp is namelijk een hyperparasitoïde. Ze heeft die andere indringers bij de gastheer nodig om zelf de ontwikkeling door te maken. Wanneer de bladetende gastheer niet is of wordt geparasiteerd sterft de kaakwesplarve. Is er wel zo’n larve aanwezig dan vreet de kaakwesplarve zich naar binnen en wacht af tot deze larve is volgroeid en tot verpopping overgaat. Dan pas aat de kaakwesplarve weer eten! Ze verpoppen in of buiten deze sluipwesp of sluipvliegpop, maar binnenin de pop van de oorspronkelijke rups of larve. Er kan niet meer dan één kaakwesplarve per gastheer of eigenlijk gastheren overleven, ze dulden geen andere soortgenoten of larven van andere soorten. Die worden gedood of zo behandeld dat ze achterblijven in de groei en verhongeren.
Heb je een kaakwesp gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Dit artikel van Anna Kreffer met foto’s van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van mei 2024 van de KNNV afdeling Den Haag.
Nep-wespen

Als je iemand vraagt hoe een wesp eruitziet, krijg je als antwoord zo goed als altijd: geel met zwart gestreept. En bijna iedereen heeft geleerd, pas op, ze zijn gevaarlijk. In de natuur zijn geel en ook rood aandachttrekkende kleuren. Dieren die geel of rood zijn smaken vies of zijn gevaarlijk. Rode lieveheersbeestjes vallen op, maar vogels eten ze maar één keer, ze smaken walgelijk en kunnen een stinkend goedje afgeven. De geel/zwarte wespen smaken misschien niet zo vies, maar kunnen zich goed verweren en lelijk steken. Lees meer
Doen alsof
Een heel aantal insecten maakt gebruik van de angst voor een geel/zwart lijfje, dat nabootsen heet mimicry. Een heel aantal onschuldige zweefvliegen, heeft een geel/zwart pakje aangemeten, zelfs vele mensen raken daarvan in paniek. Als voorbeeld de bessenband-zweefvlieg, Syrphus ribesii. Niet bang zijn, zweefvliegen kunnen steken noch prikken. Let op de antennen als je het niet zeker weet, vliegen hebben altijd korte antennen, wespen lange. De driebandtijger, Nephrotoma crocata, een langpootmug heeft een geelzwart achterlijf, maar daar houdt de vergelijking op, de grootte en trage vlucht verraad het geen-wesp zijn.|
Naamgeving
Sommige insecten lijken zoveel op een wesp of wespachtige dat ze van de mens een naam kregen met iets van een wesp erin. Zo is er de kleine wespenboktor, Clytus arietis, die erg op een wesp lijkt. De bouw is lang en smal, kop en borststuk zijn harig, het achterlijf kaal. De gele strepen lijken een wespentaille aan te geven. De achterpoten, zijn net als bij de echte wespen, langer dan de voorste poten. De antennen zijn wat kleiner dan gebruikelijk bij boktorren en de vlucht is, net als bij wespen, een beetje zigzaggend. Maar steken kan deze tor niet. De hoornaarvlinder, Sesia apiformis, lijkt op een hoornaar, is soms te vinden, stil zittend op een boom. Bij verstoring maakt de soort net als wespen schokkerige bewegingen. Daarmee houdt de gelijkenis op. De rupsen leven in de wortels van de waardboom. Over hoornaars gesproken, er is een zweefvlieg die hoornaarzweefvlieg wordt genoemd en soms ook voor hoornaar wordt aangezien, stadsreus, Volucella zonaria, is een andere naam.De larven van deze vliegensoort leven in wespennesten, ze eten daar dode larven en ander afval. Om eitjes in het wespennest te kunnen leggen, moet de vlieg wel op een wesp lijken.
Melden
Heb je een echte of net-echte wesp gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Dit artikel van Anna Kreffer verscheen eerder in de nieuwsbrief van november 2024 van de KNNV afdeling Den Haag.
De Sluipwesp (Perithous septemcinctorius)Voor het insect van het jaar 2024 heb ik deze prachtige sluipwesp aangemeld. Deze soort heeft de top vijf niet gehaald. Helaas, maar er zijn zoveel soorten die wat aandacht waard zijn. Ik zag deze sluipwesp rondhangen bij het insectenhotel van mijn tuinvereniging. Vanwege het opvallende uiterlijk en gedrag had ze al snel een naam. Zo kwam ik er ook achter wat de razendsnelle zwarte wespjes waren die ik wat eerder daar bezig zag. Pas twee jaar later kreeg ik die redelijk op een foto: graafwespjes die bladluizen verzamelen voor hun larven. Lees meer
Herkenning
Perithous septemcinctorius heeft geen Nederlandse naam en hoort bij de gewone sluipwespen (Ichneumonidae). Het is een bont gekleurde wesp met opvallende lichtgekleurde ringen rond de ogen. De vrouwen hebben een hele lange legboor. Ze kan gezien worden bij insectenhotels als daar ook graafwespen nestelen.
Vliegtijd
Begint in april tot eind september, met als hoogtepunt augustus.
Leefwijze
De sluipwesp legt haar eitjes in nesten van graafwespen die bladluizen verzamelen. Waarschijnlijk is Psenulus fuscipennis de gastvrouw (bron: Gasten van bijenhotels). Deze graafwespen nestelen in vermold hout of stengels. Ik zag ze massaal bij vermolde boomstammetjes op de grond, waar nestelgaten in waren geboord. Die gaten waren door vermolming niet meer te zien, maar de stammen waren juist nu dus erg in trek bij de graafwespen. De P. septemcinctorius zag ik weer meer bij de bamboestengels die daarboven in het hotel gestopt zijn. De vermolde boomstammen zijn helaas opgeruimd, maar bij de bamboestengels zat zo’n diertje en kon ik later alsnog foto’s van de graafwesp maken.
Hulp en bescherming
Vooral in tuinen zijn de bladluisdodende wespen natuurlijk van harte welkom om de bladluizen wat in toom te houden. Zo hoef je als tuinder niet met gif aan de gang. Wat boomstammen, al dan niet met geboorde gaten voor bijen, zijn een aanwinst voor elke tuin. Ruim ze ook niet op als ze vermolmen! Leg ze wel een beetje in de zon, daar houden de wespen en bijen van. Als de graafwespen zich vestigen is er ook grote kans dat de mooie sluipwesp zich laat zien.
PS: Bladluizen zijn ook een gewilde prooi voor de larven van gaasvliegen, lieveheersbeestjes, zweefvliegen en vele andere soorten!
Melden
Heb je een sluipwesp gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
Dit artikel van Anna Kreffer met foto’s van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van april 2024 van de KNNV afdeling Den Haag.
De sluipwesp
Een paar weken geleden spotte ik een sluip- wesp in Meijendel. Het diertje rende niet wezenloos heen en weer op bladeren, het lebberde niet aan een bloem en vloog ook niet rond. Nee, het keek strak naar de kop van een flinke rups van de sint-jacobsvlinder zonder zich veel aan mijn aanwezigheid te storen. Wat deed het daar? Lees meer
Barylypa propugnator? Sluipwespen herkennen Ecologie Melden Heb je een (sluip)wesp gezien? Meld deze op waarneming.nl (het liefst met een goede foto) of als u zelf geen account hebt op de site van de KNNV via deze link
De sluipwesp in kwestie is waarschijnlijk Barylypa propugnator. Deze sluipwesp prikt haar eieren in de rupsen van de Sint-Jacobsvlinder. In Nederland leven ruim 1500 soorten sluipwespen, ieder met een eigen gastheer of gastvrouw. Sluipwespen tot op de soort te determineren is lastig, vandaar het vraagteken achter de naam. Een veel gebruikte methode is om geïnfecteerde eieren of rupsen uit te kweken.
De volwassen dieren leven van nectar of plantensappen. Het lichaamsvocht van de prooi wordt soms ook gedronken. Iedere soort heeft zijn eigen gastvrouw of gastheer. Rupsen van (nacht)vlinders zijn vaak de klos, maar ook in kevers, wespen, bijen, mieren, wantsen en spinnen worden eieren afgezet. Enkele soorten leggen hun ei op de grond. Andere sluipwespen parasiteren komt ook voor. Sluipwespen die eieren infecteren, zijn iets minder kieskeurig. Het is voor wespenlarfjes zaak om van de vitale organen af te blijven en deze pas op het allerlaatste moment te nuttigen als zich kunnen verpoppen. Dit impliceert dat de larfjes vertrouwd zijn met de anatomie van de gastvrouw of gastheer en verklaart dat zij slechts op een of enkele nauw verwante soorten parasiteren. Sluipwespen spelen een belangrijke rol bij het in balans houden van de biodiversiteit. Soms is 20% van een populatie geïnfecteerd. Zij verhinderen dat bepaalde soorten dominant worden, dat planten niet volledig worden weggevroten. Zij worden voor dit doel ook commercieel ingezet om plaagdieren, variërend van witte vlieg tot wantsen te bestrijden in kassen.
Dit artikel van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van juli/augustus 2024 van de KNNV afdeling Den Haag.
Sociale wespen
Iedereen kent ze wel, die zwart-gele beestjes die op de appeltaart neerstrijken en lelijk kunnen steken. Bijgevolg zijn ze niet echt populair en wordt gauw naar een pot met gif gegrepen om hun nesten te vernietigen. Maar is dit terecht?
Ik volg ruim tien jaar bijen en wespen, ik ben in die periode drie tot vier keer gestoken, door honingbijen. Lees meer
PLAATS BINNEN DE INSECTENWERELD Melden
In de indeling van het dierenrijk, zijn “wespen” een ruim begrip: niet alleen de bekende zwartgele beestjes dragen de naam, maar ook minuscule mineergangen in blad gravende diertjes vallen hier onder. De groep is te groot om hier te bespreken. Dit artikel beperkt zich tot de sociale wespen binnen de Vespidae. Tot de groep behoren de “limonadewespen” (Vespula germanica, V. rufa en V. vulgaris), de hoornaar (Vespa crabro), de schuwe middelste wesp (Dolichovespula media) en de veldwespen. Muurwespen en urntjeswespen vallen ook onder vespidae, maar die zijn solitair en vallen buiten dit artikel.
STEKEN
Wespen kunnen steken, deze eigenschap maakt ze gehaat. Hierdoor wordt uit het oog verloren dat het eigenlijk heel nuttige dieren zijn, die hun taak goed uitvoeren. Wespen steken hun prooi waarna het gif het slachtoffer verlamt of doodt zodat zij het gemakkelijker naar een nest kunnen transporteren. Zonder wespen zouden bijna al onze landbouwgewassen worden opgepeuzeld door rupsen en andere kleine beestjes, mogelijk zelf ook worden opgesabbeld door muggen, wantsen, luizen, etc.. Daarnaast bestuiven zij onze gewassen. Vijgen en veel orchideeën zijn volledig afhankelijk van wespen voor hun bestuiving. In Duitsland zijn om deze redenen hoornaars beschermde dieren. Nesten mogen niet worden weggehaald. Alleen als het nest zich op een ongelukkige plaats bevindt, mag het worden verplaatst.
IMPOSANTE NESTEN
Wespen zijn de bouwmeesters binnen het dierenrijk, zowel de sociale als solitaire soorten construeren kunstige nesten. De constructie van de nesten is bij verschillende soorten opvallend gelijk. Wespen bouwen soms enorme nesten met tot pulp gekauwd hout, tot meer dan een meter in doorsnee. Licht, sterk, behoorlijk geïsoleerd tegen kou en voorzien van ventilatie. Een aantal solitaire soorten houden het op bouwseltjes van leem en klei waarin zich een nestcel bevind of gebruiken kevergangen of de boorgaten in bijenhotels.
TAAKVERDELING BIJ SOCIALE SOORTEN
Bij de meeste sociale wespen, waaronder hoornaars en limonadewespen, overwintert een bevrucht vrouwtje, de koningin. Zij zoekt voor de winter een schuilplaats. Al die tijd bewaart zij het sperma van de darren in een speciaal zakje, de spermateca. Als zij in het voorjaar begint met bouw van het nest, legt zij bevruchte eitjes waaruit werksters komen. Werksters zijn doorgaans onvruchtbaar, zij houden zich bezig met nestbouw, voedsel verzamelen, zorg voor het broed en verdediging van het nest. De koningin behoudt keuze voor het geslacht: bevruchte eitjes leveren vrouwtjes, onbevruchte eitjes leveren darren. Het meganisme achter het de “onvruchtbaarheid” van de werksters is nog onopgehelderd. Feromonen spelen een rol, als de koningin wegvalt, of oud wordt, gaan werksters ook eieren leggen. Daar zij niet zijn bevrucht, komen daar alleen darren uit.
Bij veldwespen (Polistes) overwinteren alle vrouwtjes. Wie de koningin wordt, wordt bepaald met een stoeipartij in het voorjaar. De winnares van het gevecht neemt de rol van koningin aan, zij houdt zich vervolgens bezig met nestbouw en het leggen van eieren. De ondergeschikte vrouwtjes verzamelen voedsel en houtpulp. Veldwespen beginnen bij voorkeur samen met andere veldwespen een nest. Ook tolereren ze dat andere veldwespen in de directe omgeving een nest beginnen. Als zij promotie in de sociale rangorde kunnen maken, gaan werksters bij een ander nest aan de slag.
Werksters kunnen in de loop van hun leven koningin worden, zij zijn immers in het najaar bevrucht. De volken van veldwespen omvatten enkele tientallen exemplaren.
VOEDING
Wespen hebben dierlijke eiwitten nodig om hun jongen te voeren. Ze jagen op andere insecten om hun kroost hierin te voorzien. Prooien, zoals vlinders, vliegen of andere wespen,worden van vleugels, poten en kop ontdaan, om het voedzame middenstuk van het lichaam, tot een soort pap (brei) te kauwen.Zij halen ook vlees van kadavers van vogels en zoogdieren. Deze brei wordt aan de larven gevoerd. Hoewel de werksters de meest eiwitrijke delen tot een voedzame maaltijd hebben gekauwd, krijgt het larfje toch koolhydraten die het niet nodig heeft binnen. De larf beweegt nauwelijks, het heeft eiwitten nodig voor de opbouw van het lichaam. De koolhydraten geeft zij weer terug aan de werksters: zij hebben veel energie nodig om te vliegen. Wespen missen een flinke tong, zoals bijen en vliegen die hebben. Nectar in bloemen is voor wespen meestal onbereikbaar, zij zijn aangewezen op de door hun larven teruggeven suikers en honingdauw. Bij klimop en schermbloemen ligt de nectar aan de oppervlakte, hier kunnen wespen wel nectar drinken.
OPBOUW VOLKEN
In zomer laten de wespen zich nauwelijks zien: rusteloos zoeken zij de beplanting af voor rupsen en andere insecten. Bloemen zijn interessant om de daar foeragerende vlinders, bijen en vliegen te vangen. In het najaar verandert het gedrag van de limonadewespen (gewone wesp, Duitse wesp): de jonge koninginnen en darren zijn uitgevlogen, voedsel wordt schaars. Er zijn te weinig larven om de werksters koolhydraten te voeden. Dus is het tijd om van het pensioen te genieten… lekker de hele dag lummelen op klimop, rot fruit of appeltaart en de koningin laten verhongeren.
WESPEN EN KLIMAATOPWARMING
Wespen zijn echte zonaanbidders. Lijken vliegen relatief ongevoelig voor kou, maar wespen worden gelijk trager of immobiel. Met de klimaatopwarming wordt ons land geschikt voor soorten die in midden en Zuid Europa hun leefgebied hadden. Wie waarneming.nl bezoekt, kan zien dat zij verwachten dat meer soorten veldwespen in ons land zullen opduiken. Gelukkig zijn veldwespen niet agressief, maar het is de vraag of dit goed nieuws voor onze vlinders, die toch al flink onder druk staan. Sociale wespen zijn gebonden aan hun nest, zij zijn tijdens hun werkzame leven niet rg mobiel. Zij zoeken in nabijheid van die nesten hun voedsel. In het voorjaar is een korte periode dat bevruchte vrouwtjes en andere plek kunnen zoeken. Dat maakt hen kwetsbaar voor ingrijpende veranderingen in hun leefomgeving.
Vanwege hun vermogen om te steken zijn wespen niet populair om te observeren. Dat is jammer. Het zijn dieren met interessant gedrag waarvan veel nog onbekend is, er is dus nog veel te ontdekken. Meld deze (liefst met foto) op waarneming.nl of als u zelf gen account hebt op de site van de KNNVvia deze link De gewone wesp en Duitse wesp zijn slechts met een goede foto van het gezicht uit elkaar te houden.
Dit artikel met foto’s van Hans van Helden verscheen eerder in de nieuwsbrief van juli 2022 van de KNNV afdeling Den Haag. Hier kunt u ook eventueel reageren op dit artikel.